Conclusie
1.Feiten en procesverloop
nietin aanmerking moet worden genomen bij de bepaling van de behoefte van het kind, maar bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt;
2.De incidentele vordering van de vrouw
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale cassatieberoep
Vaste rechtspraak is dat de alimentatienormen geen recht vormen in de zin van art. 79 RO Pro. In het licht van (i) het feit dat in een prejudiciële procedure rechtsvragen worden gesteld (art. 392 lid 1 Rv Pro), (ii) de vragen die werden gesteld in de procedure die heeft geleid tot de beslissing van 9 oktober 2015 alleen de wijze betreft waarop rekening zou moeten worden gehouden met het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop, (iii) wnd. A-G Hammerstein dit in zijn Conclusie als rechtsvragen beschouwt waarbij het gaat om een nadere bepaling van de wettelijke begrippen draagkracht en behoefte, en (iv) Uw Raad de gestelde vragen vervolgens heeft beantwoord, kan er vanuit worden gegaan dat het rechtsvragen betreft. [19] Dit kan ook worden afgeleid uit een beschikking van Uw Raad van 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2229, NJ 2016/428. Daarin is geoordeeld dat het oordeel in de prejudiciële beslissing van 9 oktober 2015 niet alleen betrekking heeft op de regeling van het kindgebonden budget met alleenstaande ouderkop zoals deze geldt sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2015 van de Wet hervorming kindregelingen, maar ook op de regeling van het kindgebonden budget zoals die vóór 1 januari 2015 gold. Uw Raad overwoog dat het in cassatie bestreden oordeel van het hof in zijn beschikking van 11 augustus 2015 dat over zowel 2014 als 2015 het kindgebonden budget in mindering moet worden gebracht op de behoefte van de kinderen,
blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting.
nietwas te beschouwen als een na de uitspraak in eerste aanleg opgetreden gewijzigde omstandigheid waardoor die uitspraak niet meer aan de wettelijke maatstaven voldeed. [24] Art. 1:401 lid Pro BW gaat in een dergelijk geval naar zijn mening niet op.
op welk momentouders een vaststellingsovereenkomst met betrekking tot de kinderalimentatie hebben gesloten. Zoals hiervoor uiteengezet is er in de eerste helft van 2015 over de aanbevelingen van de Expertgroep alimentatienormen veel discussie geweest. Na kritiek vanuit de literatuur en vanuit enkele gerechten heeft de Expertgroep alimentatienormen op 17 april 2015 haar eerdere aanbeveling opnieuw bevestigd. Om voor de rechtspraktijk duidelijkheid te krijgen heeft het gerechtshof Den Haag bij beschikking van 3 juni 2015 aan Uw Raad prejudiciële vragen gesteld. Deze beschikking is gepubliceerd. Vanaf dat moment had de rechtspraktijk, en familierechtadvocaten in het bijzonder, kunnen weten dat de discussie over de vraag op welke wijze bij de bepaling van de door ouders verschuldigde onderhoudsbijdrage voor hun minderjarige kinderen rekening moet worden gehouden met het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop, binnen afzienbare tijd door de Hoge Raad zou worden beslecht. Indien een zaak over de kinderalimentatie op dat moment bij de rechter aanhangig was gemaakt of nadien aanhangig is gemaakt dan stond het partijen vrij om de prejudiciële beslissing af te wachten. Zoals hiervoor vermeld namen gerechten daarin ook soms zelf het initiatief - al dan niet op verzoek van partijen - door de zaak, waar het de kinderalimentatie betreft, aan te houden totdat de prejudiciële beslissing zou zijn gegeven. Indien ouders, bijgestaan door een advocaat, tussen 3 juni 2015 (dan wel in ieder geval kort daarna) en 9 oktober 2015 een overeenkomst hebben gesloten waarin zij voor één van de twee hiervoor beschreven berekeningsmethodieken een keuze hebben gemaakt, dan kan mijns inziens op goede gronden worden betoogd dat die keuze in de weg kan staan aan een na 9 oktober 2015 op de voet van art. 1:401 lid 5 BW Pro ingediend wijzigingsverzoek. Hoewel vanwege de op dat moment nog bestaande onduidelijkheid over de rechtens geldende maatstaf strikt genomen niet kan worden gezegd dat de ouders in dat geval welbewust van de wettelijke maatstaven zijn afgewezen, zou betoogd kunnen worden dat het geval dat een keuze is gemaakt in een periode dat er onduidelijkheid was, doch met de wetenschap dat aan die onduidelijkheid snel een eind zou komen, daaraan gelijk valt te stellen. [26]
omdatniet valt in te zien dat aan genoemde beslissing naar aanleiding van een prejudiciële vraag terugwerkende kracht toekomt.
nietop tegen het oordeel van het hof in de laatste twee volzinnen van rov. 5.8 dat vaststaat dat partijen hun afspraken hebben afgestemd op een andere methodiek dan uitgemaakt in de prejudiciële beslissing en dat de omstandigheid dat de vrouw bij het maken van de afspraken werd bijgestaan door een advocaat en bekend had kunnen zijn met de discussie over het kindgebonden budget, “hieraan niet afdoet”. De overige onderdelen komen tegen die oordelen evenmin op. Zoals hiervoor vermeld kan op goede gronden worden betoogd dat, indien ouders werden bijgestaan door een advocaat, een tussen 3 juni 2015 (of kort daarna) en 9 oktober 2015 gemaakte keuze voor één van de twee hiervoor beschreven berekeningsmethodieken in de weg zou kunnen staan aan een na 9 oktober 2015 op de voet van art. 1:401 lid 5 BW Pro ingediend wijzigingsverzoek. Het oordeel van het hof aan het slot van rov. 5.8 geeft mijns inziens zodoende blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zoals gezegd wordt tegen dat oordeel echter geen (duidelijke) cassatieklacht gericht.
Onderdeel 2.1klaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Geklaagd wordt dat, indien het oordeel moet worden opgevat in die zin dat de vaststellingsovereenkomst die partijen “in de periode 9 juni - 1 juli 2015” hebben gesloten, is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, dat oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk is, “omdat het medio 2015 geldende recht inhield dat het kindgebonden budget in mindering werd gebracht op de behoefte van het kind en niet valt in te zien dat aan de prejudiciële beslissing van 9 oktober 2015 terugwerkende kracht toekomt”.
inhielddat het kindgebonden budget in mindering werd gebracht op de behoefte van het kind. Daarover bestond nu juist discussie in de rechtspraktijk en daarover werd door gerechten ook in verschillende zin geoordeeld. In dat verband wijs ik er nogmaals op dat de richtlijnen van de Expertgroep alimentatienormen geen recht vorm(d)en in de zin van art. 79 RO Pro. Het gerechtshof Den Haag heeft aan Uw Raad prejudiciële vragen gesteld, juist om die discussie te beslechten. Het betoog dat niet valt in te zien dat aan de prejudiciële beslissing van 9 oktober 2015 terugwerkende kracht toekomt, faalt in het licht van het hiervoor in 3.26 en 3.27 opgemerkte.
onderdeel 2.5onbegrijpelijk waarom het hof heeft nagelaten “al die argumenten” die worden genoemd in de beschikking van 28 juni 2016 onbesproken heeft gelaten.
nieuwewijzigingsprocedure begonnen. Het hof was uitsluitend gehouden om, met inachtneming van de regels van het grievenstelsel en de devolutieve werking van het hoger beroep, de in
dieprocedure naar voren gebrachte feiten en omstandigheden te betrekken. Punt 3.9 van het beroepschrift van de vrouw bevat niet meer dan een beschrijving van een klein deel van de voorgeschiedenis (procesverloop). Het onderdeel verwijst naar punt 7 van het verweerschrift van de man in hoger beroep. Daarin gaat de man
nietin op de hiervoor in 3.34 onder (i), (ii) en (iv) genoemde aspecten, doch uitsluitend op zijn ziekte. Daaromtrent stelt hij in de vierde volzin van punt 7 dat die “niet het onderwerp is van het wijzigingsverzoek”.
nieteerst zijn gewijzigd door de prejudiciële beslissing van 9 oktober 2015. Met die beslissing is slechts een eind gekomen aan de daarvoor in de rechtspraktijk en literatuur aanwezige discussie, die hiervoor is beschreven. De voordien (meestal wel doch niet altijd) toegepaste aanbeveling van de Expertgroep alimentatienormen vormde geen recht in de zin van art. 79 RO Pro. Zoals gezegd zou op goede gronden kunnen worden betoogd dat art. 1:401 lid 5 BW Pro in de onderhavige zaak niet van toepassing is, nu partijen ná het stellen van prejudiciële vragen door het gerechtshof Den Haag in zijn beschikking van 3 juni 2015 een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten en daarbij allebei zijn vertegenwoordigd door een advocaat. Daarover klaagt het middel evenwel niet.
rechtensmeebrengt - en met terugwerkende kracht meebracht - dat de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop ontvangt (ontving), wordt (werd) verhoogd en dat het eigen aandeel van de ouders in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind wijzigt, maar van een wijziging van feitelijke aard - daarbij even tot uitgangspunt nemend dat van een andere wijziging (verhoging of verlaging) in het inkomen of vermogen van één van de ouders geen sprake is - is evenwel geen sprake. De ouder die het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop vóór 9 oktober 2015 ontving, ontvangt de daarbij behorende bedragen (tenminste als de feitelijke situatie niet is veranderd) ook nadien. Wil de wijzigingsgrond van art. 1:401 lid 1 BW Pro toepassing kunnen vinden, dan dient er sprake te zijn van een wijziging van omstandigheden van feitelijke aard bestaande uit een verhoging of verlaging in het inkomen of vermogen of een lastenverzwaring van de alimentatieplichtige en/of de alimentatiegerechtigde ouder. Ook wangedrag of verdiencapaciteit vallen onder een feitelijke wijziging van omstandigheden. De prejudiciële beslissing van 9 oktober 2015 sec brengt dit gevolg niet teweeg, maar betreft de uitleg die de Hoge Raad geeft aan de artikelen 1:392 en 1:404 BW. In feite wordt door deze beslissing een einde gemaakt aan een onjuiste rechtsopvatting.