ECLI:NL:PHR:2009:BH0499
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over fiscale kwalificatie commissariaten als loon of winst uit onderneming
Belanghebbende, die in 2001 vijf commissariaten vervulde bij beursgenoteerde ondernemingen, voerde aan dat de beloningen voor deze commissariaten als winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden moesten worden aangemerkt, terwijl de Inspecteur deze kwalificeerde als loon uit dienstbetrekking. Het Hof Arnhem oordeelde dat belanghebbende onvoldoende ondernemingsrisico liep en kwalificeerde de beloningen als loon uit dienstbetrekking, waarbij de fictie van de Wet LB 1964 niet van toepassing zou zijn op zijn situatie.
De Hoge Raad overweegt uitgebreid de wetsgeschiedenis en jurisprudentie omtrent de fictieve dienstbetrekking van commissarissen en de criteria voor ondernemerschap, waaronder het lopen van ondernemersrisico. De Hoge Raad stelt dat de fictie van loon uit dienstbetrekking bewust is opgenomen in de Wet LB 1964 en dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom belanghebbende geen ondernemingsrisico zou lopen.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak naar een ander gerechtshof voor een nadere beoordeling van het ondernemingsrisico van belanghebbende. Hiermee wordt bevestigd dat de fiscale kwalificatie van commissarissenbeloningen afhankelijk is van een concrete beoordeling van de feiten en omstandigheden, met name de aanwezigheid van ondernemingsrisico.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof Arnhem vernietigd en de zaak verwezen naar een ander gerechtshof voor nadere beoordeling.