ECLI:NL:PHR:2009:BH4043
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Overgang van onderneming en de gevolgen van detacheringsconstructie voor arbeidsovereenkomst
De zaak betreft de vraag of bij overgang van onderneming een arbeidsovereenkomst van rechtswege overgaat op de verkrijger, ondanks het gebruik van een detacheringsconstructie waarbij werknemers eerst in dienst treden bij een dochteronderneming van de vervreemder.
Eiser was sinds 1980 werkzaam bij Douwe Egberts en werd na een raamovereenkomst tussen Douwe Egberts en Pax in 2003 gedetacheerd via Detrex, een dochteronderneming. In 2006 wilde Pax het personeel rechtstreeks in dienst nemen, maar eiser weigerde en stortte zijn salaris terug. De kantonrechter en het hof oordeelden dat geen arbeidsovereenkomst met Pax was ontstaan en dat er geen overgang van onderneming had plaatsgevonden.
De Hoge Raad stelt dat het hof onjuist heeft geoordeeld dat de instemming met indiensttreding bij Detrex betekent dat de bescherming van artikel 7:663 BW Pro niet van toepassing is. De werknemer moet uit vrije wil en met volledige kennis van zaken afstand doen van het recht om bij de verkrijger in dienst te treden. Het hof had moeten vaststellen of eiser de keuze had en of hij ondubbelzinnig en vrijelijk had afgezien van die mogelijkheid.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling. Hiermee wordt bevestigd dat de bescherming van werknemers bij overgang van onderneming strikt moet worden toegepast, ook bij complexe constructies zoals detachering via dochterondernemingen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.