Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
“Ondernemingen in financiële moeilijkheden en de arbeidsrechtelijke positie van hun werknemers"(aan het WODC uitgebracht door Onderzoekcentrum Onderneming & Recht, Radboud Universiteit) d.d. 5 april 2016 komt naar voren dat de ondernemingsraad tijdens faillissement in de praktijk slechts in enkele gevallen actief wordt betrokken bij de besluitvorming door de curator.”
3.Het belang bij het cassatieberoep
4.Faillissement en WOR
Maclouaan dat bij de beoordeling van het handelen van de curator in het kader van diens eventuele aansprakelijkheid in ogenschouw dient te worden genomen dat hij: [18]
'arbeid wordt verricht'houdt mijns inziens in dat er daadwerkelijk activiteiten moeten worden verricht. Een organisatorisch verband dat zijn werkzaamheden voor lange of onbepaalde tijd heeft gestaakt, kan niet worden aangemerkt als onderneming. Een beperkte periode waarin geen arbeid wordt verricht, heeft geen gevolgen voor het zijn van onderneming. Een seizoenbedrijf of een fabriek die tijdelijk niet meer produceert als gevolg van een verminderde vraag, blijft derhalve een onderneming. Een aanwijzing voor het tijdelijke karakter van het staken van de activiteiten is dat het organisatorische verband nog in stand is.” [29]
ondernemer.Dit is volgens art. 1 lid 1 onder Pro c WOR de natuurlijke of rechtspersoon die de onderneming in stand houdt. [30] In de Memorie van Antwoord bij het oorspronkelijke wetsontwerp gaf de minister aan dat de ondernemer is:
Amfas-beschikking achtte de OK inderdaad bepalend welke organisatie als werkgever optrad. [35]
medeondernemer.Dat kan dan bijvoorbeeld het moederbedrijf van de onderneming zijn. [36] Uw Raad oordeelde dat om een dergelijke ‘ander’ als medeondernemer aan te merken vereist is:
, [40] andere dat hij als bestuurder geldt. [41] Hoewel dit uiteindelijk geen verschil maakt voor een eventuele verplichting van de curator om de WOR te respecteren, die geldt namelijk voor beide hoedanigheden, ligt het meest voor de hand aan te nemen dat de curator bestuurder is. Hij is weliswaar belast met het beheer van de boedel, maar de eigendom van de productiemiddelen blijft bij de (failliete) rechtspersoon en deze is ook nog steeds werkgever in arbeidsrechtelijke zin. Zo bekeken is de rechtspersoon dan nog steeds de ondernemer in de zin van de WOR en in de systematiek van deze wet is de curator dan als bestuurder te beschouwen. In de onderhavige zaak is overigens niet aan de orde gesteld of de curator ondernemer of bestuurder is.
atot en met
nvan art. 25 lid 1 WOR Pro limitatief [42] opgesomd. Art. 25 WOR Pro geeft de OR het
rechtom over de in dit artikel opgenomen besluiten advies uit te brengen; de OR is hiertoe niet verplicht. [43] De ondernemer daarentegen is op grond van art. 25 WOR Pro
verplichtom besluiten als opgesomd in dat artikel ter advies aan de OR voor te leggen. De WOR kent geen uitzonderingen op deze verplichting.
YVC IJsselwerf-beschikking. [49] Uw Raad merkte daarbij overigens op dat voor zover de surseance aangevraagd zou worden in verband met de mogelijke bedoeling de onderneming geheel of gedeeltelijk te staken, het adviesrecht van de OR te dien aanzien na de verleende surseance in stand blijft. De betekenis van deze beschikking voor de hier aan de orde gestelde centrale vraag komt hierna (5.9) aan de orde.
voorgenomenbesluit. [50] Art. 25 lid 3 WOR Pro bepaalt dat de ondernemer bij het vragen van advies aan de OR een overzicht verstrekt van de beweegredenen voor het voorgenomen besluit alsmede van de verwachte gevolgen van het besluit voor het personeel en van de, naar aanleiding daarvan, voorgenomen maatregelen. Dit veronderstelt dat het voorgenomen besluit voldoende geconcretiseerd is en de gevolgen ervan voldoende bepaalbaar zijn. [51]
OR/PTT Telecomdat het de ondernemer in beginsel vrij staat om te beslissen in welke fase van een in stappen verlopend besluitvormingsproces het advies gevraagd wordt. Het gekozen moment kan echter (i) als te vroeg worden aangemerkt, bijvoorbeeld wanneer nog geen inzicht kan bestaan in de gevolgen van het (uiteindelijke) besluit of (ii) als te laat, bijvoorbeeld wanneer de besluitvorming al zo ver is voortgeschreden dat het advies geen wezenlijke invloed meer kan hebben. [52] Van een adviesplicht is dus sprake als een voorgenomen besluit zodanig uitgekristalliseerd is dat de gevolgen ervan voldoende bepaalbaar zijn. [53] Als daarvan nog geen sprake is, kan de ondernemer onverplicht op grond van art. 23 lid 2 WOR Pro met de OR in overleg treden.
hetzijwanneer dat besluit niet in overeenstemming is met het advies van de OR,
hetzijwanneer feiten of omstandigheden bekend zijn geworden, die, waren zij aan de OR bekend geweest ten tijde van het uitbrengen van zijn advies, aanleiding zouden kunnen zijn geweest om dat advies niet uit te brengen zoals het is uitgebracht. Het beroep wordt bij verzoekschrift ingesteld binnen een maand nadat de OR van het betreffende besluit in kennis is gesteld (lid 2). Het beroep kan uitsluitend worden ingesteld ter zake dat de ondernemer bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het betrokken besluit had kunnen komen (lid 4). Als een verzoek van de OR op grond van art. 26 WOR Pro ongegrond wordt verklaard, betekent dit dat de ondernemer in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Indien de OK het beroep gegrond bevindt, verklaart zij dat de ondernemer bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het betrokken besluit had kunnen komen (lid 5). Een dergelijke verklaring betekent als zodanig niet dat het besluit ongeldig is geworden. [55] In dit verband is van belang dat naast de verklaring op verzoek van de OR voorlopige voorzieningen kunnen worden getroffen: de ondernemer kan een verplichting worden opgelegd om het besluit geheel of ten dele in te trekken, alsmede de gevolgen daarvan ongedaan te maken (lid 5 onder a) of een verbod om handelingen ter uitvoering van (delen van) het besluit te verrichten of doen verrichten (lid 5 onder b). Een beslissing van de OK tast (door het bestreden besluit verworven) rechten van derden niet aan (lid 5).
Openbaar lichaam Muskusrattenbestrijding in de provincie Utrechtwas wel advies gevraagd over een voorgenomen besluit inhoudende de overdracht van de onderneming, maar nam de ondernemer uiteindelijk het besluit zonder het advies af te wachten. De OK oordeelde dat een dergelijk besluit weliswaar in beginsel in redelijkheid niet genomen had kunnen worden, [59] omdat het in de WOR neergelegde recht op medezeggenschap is geschonden, doch dat in dit geval echter sprake was van een uitzonderingssituatie. [60] De OR stelde zich namelijk op het standpunt dat zou zijn afgesproken dat pas advies zou worden gegeven als overeenstemming zou zijn bereikt over het sociaal plan. Dat was volgens de OK echter niet komen vast te staan. Dat de OR geen advies uitbracht, leek met name te zijn ingegeven door de weigering van de onderneming verdere gelden ter beschikking te stellen voor externe advisering ter voorbereiding van het advies van de OR. Hier was, volgens de OK, sprake van een weigering van de OR om advies te geven, hetgeen in strijd was met de eisen van redelijkheid en billijkheid die partijen ook in een adviestraject op de voet van art. 25 WOR Pro jegens elkaar in acht hebben te nemen. In dit geval oordeelde de OK daarom dat de ondernemer het besluit in redelijkheid kon nemen zonder het advies af te wachten, en woog zij daarbij ook mee dat niet was gebleken van bezwaren van de OR tegen de overgang als zodanig of tegen de personele gevolgen daarvan en voorts dat de lange duur en de onduidelijkheid van de discussies over het sociaal plan aan de OR te wijten waren.
going concern-verkoop tot een hogere opbrengst zal leiden. [76] Betoogd wordt zelfs dat de curator bevoegd is om na het uitspreken van faillissement de onderneming voorlopig voort te zetten zonder advies van de commissie van schuldeisers of een machtiging van de rechter-commissaris. [77] De curator kan in veel gevallen ook niet anders: het kost tijd om zich een beeld te vormen van de levensvatbaarheid van de onderneming en wanneer de onderneming in deze fase zou worden stilgelegd, zouden de kansen op een voortzetting of overgang worden gefrustreerd. [78] Dit kan de mogelijkheden om een hogere opbrengst voor de gezamenlijke schuldeisers te realiseren en om behoud van de onderneming en de werkgelegenheid te garanderen negatief beïnvloeden. Tenzij dus direct duidelijk is dat voortzetting niet mogelijk of niet zinvol is, zal de curator een korte overgangsperiode moeten worden gegund om te beslissen of de onderneming gedurende langere tijd moet worden voortgezet. [79]
5.De kern van deze zaak
YVC IJsselwerfuitsluitend de vraag voorgelegd of de OR adviesrecht toekomt ten aanzien van het besluit tot het aanvragen van surseance van betaling (dienaangaande hierna 5.9). Voor de beoordeling van deze openliggende rechtsvraag zal ik daarom vooral ingaan op de wetsgeschiedenis, literatuur en ontwikkelingen in (niet rechtstreeks op dit geval toepasselijke) wet- en regelgeving.
YVC IJsselwerf;
YVC IJsselwerfdat het aanvragen van surseance geen adviesplichtig besluit in de zin van de WOR is (hiervoor 4.15). De reden is dat benoeming van een bewindvoerder geen verandering in de interne verdeling van de bevoegdheden meebrengt, maar (slechts) de bevoegdheden beperkt van degenen die daden van beheer en beschikking mogen verrichten. Ten overvloede overwoog Uw Raad echter onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis dat het adviesrecht van de OR na de verleende surseance wel in stand blijft:
verdient opmerking dat het adviesrecht van de OR na de verleende surséance van betaling in stand blijft.Voor deze opvatting is ook steun te vinden in de parlementaire geschiedenis van de wijziging van de WOR van 1998, zoals weergegeven in de conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 3.3.3.1 tot en met 3.3.3.4, waaruit blijkt dat de vraag of de OR ter zake van voorgenomen besluiten tot het aanvragen van het (eigen) faillissement of surséance van betaling medezeggenschap dient te hebben, door de bij die wijziging optredende wetgever, althans door de regering, onder ogen is gezien en negatief is beantwoord.” [98] (onderstreping toegevoegd, A-G)
pre-packvan een wettelijke basis te voorzien. De
pre-packis de praktijk waarbij reeds vóór faillietverklaring een doorstart uit faillissement wordt voorbereid, veelal met hulp van de beoogd curator (die dan als ‘stille bewindvoerder’ wordt aangeduid). [107] Tijdens de parlementaire behandeling is een amendement aangenomen dat ertoe strekt de werknemers te betrekken bij de voorbereiding van het faillissement, met als reden dat de impact van een faillissement voor werknemers over het algemeen groter is dan voor andere schuldeisers. [108] Het wetsvoorstel voorziet in een nieuw toe te voegen art. 363 Faillissementswet Pro. Lid 4 van dat artikel staat de rechter toe als voorwaarde aan de toewijzing van het verzoek tot benoeming van een stille bewindvoerder te verbinden dat de OR bij de voorbereiding van het faillissement wordt betrokken. Ook wordt in de wetsgeschiedenis benadrukt dat het adviesrecht van de OR gedurende de stille voorbereidingsfase onverkort geldt. [109] In literatuur [110] en annotaties bij de uitspraak van de OK in de onderhavige zaak [111] is er – wat mij betreft terecht – op gewezen dat dit wetsvoorstel er (juist) op duidt dat in en rond een faillissementstoestand een (wezenlijke) rol is weggelegd voor de OR. [112]
6.De beoordeling van de klachten
eerste onderdeelbetoogt in essentie dat de OK met haar oordeel heeft miskend dat de medezeggenschapsrechten van een OR gedurende een faillissement in beginsel in stand blijven. Ik acht deze klacht gegrond. Zoals hiervoor is uiteengezet, brengt een faillissement niet mee dat het adviesrecht ingevolge art. 25 van Pro de WOR buiten werking wordt gesteld (hiervoor 5.6-5.17). Verder vormt het adviesrecht in het geval van het vooruitzicht van voortzetting of doorstart mijns inziens geen (ontoelaatbare) doorkruising van het faillissementsrecht (hiervoor 5.6). In de onderhavige zaak was sprake van een voornemen tot overdracht van de bedrijfsactiviteiten (rov. 2.8 en 2.12). Dit betekent dat de OK niet tot het oordeel mocht komen dat het adviesrecht in beginsel onverenigbaar is met de op afwikkeling van de boedel gerichte rol van de curator en dat hier in het midden kan blijven of een uitzondering op dit beginsel denkbaar is.
tweede onderdeelbetoogt in de kern dat voor toepasselijkheid van het adviesrecht van de WOR niet is vereist dat de onderneming door de curator is voortgezet.
tweede onderdeeldat – bij welwillende lezing – daarop gerichte klachten bevat, [132] is in zoverre gegrond.
derde onderdeelkomt op tegen de afwijzing van het verzoek met betrekking tot de redelijke kosten – waartoe in het onderdeel wordt gewezen op art. 22 WOR Pro – en de afwijzing van de gevraagde proceskostenveroordeling. Ook deze klachten treffen doel. Het verzoek van de OR DA is – zo volgt uit randnummer 34 van zijn aantekeningen voor de mondelinge behandeling (hiervoor 2.2 onder E) en rov. 3.7 van de beschikking van de OK (hiervoor 2.17) – mede gericht op het verkrijgen van een verklaring dat de redelijke kosten van de procedure voor rekening van de boedel komen. De OK heeft de afwijzing van het verzoek met betrekking tot de redelijke kosten van deze procedure gegrond op de overweging dat de curator niet gehouden was om advies van de OR te vragen (rov. 3.6). Die overweging is in de onderdelen 1 en 2 met succes bestreden. De afwijzing van de proceskostenveroordeling is gegrond op de afwijzing van de andere verzoeken (rov. 3.8). De onderdelen 1 en 2 klagen terecht over de afwijzing van deze verzoeken. Het slagen van de onderdelen 1 en 2 brengt dus mee dat de overwegingen over de redelijke kosten en de proceskosten niet in stand kunnen blijven.
7.Afdoening van deze zaak
Maclou-arrest. [134] De verplichting tot vergoeding van de redelijke kosten is dus een schuld van de boedel.