Conclusie
2.Beoordeling
Conclusie en kosten
Onderdeel 1bevat geen klacht.
Onderdeel 2is inleidend met een algemene – aldaar niet inhoudelijk uitgewerkte – rechts- en motiveringsklacht tegen de genoemde rov. 2.2, 2.6 t/m 2.9, 3 en 4.
Subonderdeel 2.1klaagt dat het hof in die overwegingen een onjuist rechtsoordeel geeft over de vraag of sprake is van overgang van onderneming (artt. 7:662 e.v. BW), althans dat dat oordeel niet toereikend is gemotiveerd. Dat wordt in dit subonderdeel 2.1 zelf verder niet uitgewerkt. Die uitwerking volgt daarna, maar nog niet in
subonderdeel 2.1.1, dat een uiteenzetting bevat van het wettelijke toetsingskader en een bespreking van de richtinggevende rechtspraak van het Hof van Justitie in Luxemburg (hierna ook: HvJEU of HvJ EG voor zaken tot 1 december 2009). Ook
subonderdeel 2.1.2bevat nog geen klacht, maar een minutieuze uiteenzetting van het verloop van het partijdebat in de procedure in feitelijke instanties. Pas in
subonderdelen 2.1.2-I – 2.1.2-III, beginnend op p. 16 van de cassatiedagvaarding, staan de eerste inhoudelijk uitgewerkte klachten.
Subonderdelen 2.1.2-I, 2.1.2-II en 2.1.2-IIIkaarten aan dat ook met betrekking tot het
tuincentrum-gedeelte (en niet alleen met betrekking tot de
dierenbenodigd-heden-tak) sprake is van overgang van onderneming; althans dat, zo al juist zou zijn dat alleen sprake is van overdracht van het dierbenodigdheden deel, ook dat verkeerd is getoetst door het hof.
Subonderdeel 2.1.2-Iricht daar de rechts- althans motiveringsklacht tegen, dat in het licht van de in het subonderdeel aangegeven feiten het hof in rov. 2.6 en 2.7 art. 149 Rv Pro heeft geschonden nu niet inhoudelijk is bestreden door [verweerder] dat ook het tuincentrum is overgegaan. Althans is volgens subonderdeel 2.1.2-I in elk geval onbegrijpelijk dat [eiseres] niet zou hebben gesteld dat exploitatie van het tuincentrum na het faillissement door [betrokkene 1] is overgenomen, omdat zij dit in elk processtuk heeft gedaan. De klacht vervolgt dat irrelevant is dat [eiseres] niet heeft betwist dat voor faillissement het tuincentrum door een derde werd geëxploiteerd bij wie zij in dienst was, omdat het erom gaat dat zij in januari 2008 in dienst is getreden bij [betrokkene 1] en zij stelt dat die toen naast de afdeling dierbenodigdheden ook het tuincentrum exploiteerde, dat vervolgens wegens een “ingrijpende verbouwing” dichtging. Uit de omstandigheid dat vóór faillissement een derde eigenaar was van het tuincentrum kan volgens de klacht niet worden afgeleid dat [betrokkene 1] niet vanaf dat moment tot 1 oktober 2009 ook het tuincentrum heeft geleid. Overigens bevat subonderdeel 2.1.2-I de hiervoor gememoreerde, niet afzonderlijk genummerde
subsidiaire klachtdat zelfs als juist zou zijn dat alleen de afdeling dierbenodigdheden is overgenomen, dat dan nog steeds sprake is van een onjuiste rechtsopvatting over overdracht in de zin van art. 7:662 e.v. BW. Ook dan had aan de hand van alle omstandigheden die zijn uitgewerkt in subonderdeel 2.1.2-II (essentiële stellingen) moeten worden onderzocht of sprake is van overgang van onderneming.
Subonderdeel 2.1.2-IIbouwt daar dan op voort met de klacht dat het hof in rov 2.6 en 2.7 (en ook overigens) essentiële stellingen onbesproken heeft gelaten, hetgeen vanwege de devolutieve werking niet had gemogen. Het subonderdeel vat deze stellingen als volgt samen:
subonderdelen 2.1.3-i, 2.1.3-ii en 2.1.3-iii(subonderdeel 2.1.3 zelf bevat geen inhoudelijk uitgewerkte klacht) en
subonderdeel 2.1.5en is gericht tegen kernoverweging 2.7 van het bestreden arrest.
Subonderdeel 2.1.3-ibevat de rechtsklacht dat voor artt. 7:662 e.v. geen
directeovergang van onderneming is vereist, zoals het hof overweegt, maar dat beslissend is of volgens de zogenoemde “Spijkers-criteria” sprake is van behoud van identiteit van de overgegane economische eenheid. Daarbij is anders dan het hof overweegt niet van belang of de exploitatie van het gefailleerde tuincentrum door [betrokkene 1] is overgenomen, of [verweerder] voorraden heeft overgenomen en of het in hetzelfde pand zit. Mocht het hof wel de juiste toets van identiteitsbehoud hebben gehanteerd, dan is dit niet inzichtelijk gemotiveerd, aldus de klacht. Volgens
subonderdeel 2.1.3-iiis ook de passage uit rov. 2.7 dat [verweerder] zijn winkel in een ander pand dan [betrokkene 1] exploiteert met een andere inrichting volgens de Welkom-formule niet concludent en is niet relevant dat [betrokkene 1] op enig moment zelf heeft overwogen een Welkom-winkel te beginnen, omdat dit geen overgang van onderneming volgens het juiste criterium uitsluit. Althans is ook volgens deze klacht sprake van een motiveringsgebrek.
Subonderdeel 2.1.3-iiivoegt daar aan toe dat de passage uit rov. 2.7 dat ook de betrokkenheid van de ouders van [verweerder] [eiseres] niet helpt, onjuist of onbegrijpelijk is, aangezien dit ten onrechte voortbouwt op de ten onrechte aangenomen geïsoleerde overname door [betrokkene 1] na het faillissement uit 2007 van alleen de dierbenodigdheden-tak en niet ook het tuincentrum waarvan deze afdeling deel uitmaakte.
Subonderdeel 2.1.5 [7] richt andermaal een rechtsklacht/subsidiair motiveringsklacht tegen rov. 2.7. Het subonderdeel lijkt de broers [verweerder] en [betrokkene 1] door elkaar te halen. Ik begrijp de klacht zo, dat wordt aangevoerd dat indien aan de zogenoemde “Spijkers-criteria” wordt getoetst, het staken van [betrokkene 1] en het starten van [verweerder] een overgang van onderneming oplevert vanwege de volgende omstandigheden:
Subonderdeel 2.1.6voert aan dat bij het slagen van één of meer klachten ook de passage in rov. 2.2 over het einde van de arbeidsovereenkomst tussen [betrokkene 1] en [eiseres] per 1 mei 2010 moet sneuvelen, omdat dan de arbeidsovereenkomst van [eiseres] per 1 oktober 2009 van rechtswege is overgegaan en de opzegging voor zover vereist door [betrokkene 1] zonder rechtsgevolg is gebleven.
Subonderdeel 2.2voert alleen aan dat het slagen van één of meer klachten ook rov. 2.8, 2.9, 3 en het dictum aantast.
economische eenheid. Dat is volgens art. 7:662 lid 2 sub b BW Pro: “een geheel van georganiseerde middelen, bestemd tot het ten uitvoer brengen van een al dan niet hoofdzakelijke economische activiteit” [13] . Dit moet ruim worden opgevat: een economische eenheid is niet beperkt tot de activiteit waarmee de eenheid is belast, maar volgt ook uit andere elementen als personeelsbestand, leiding, taakverdeling, bedrijfsvoering of zelfs beschikbare productiemiddelen [14] . De activiteit van de economische eenheid mag niet beperkt zijn tot uitvoering van een bepaald werk [15] .
identiteit van de economische eenheid bewaard blijft [16] , vlg. thans art. 7:662 lid 2 sub a BW Pro. Voor de vraag of een economische eenheid is overgegaan, dient onderzocht te worden of het gaat om de
vervreemding van een lopend bedrijfdoordat dezelfde of soortgelijke bedrijfsactiviteiten in feite door een nieuwe ondernemer worden voortgezet of hervat. Hierbij moet rekening worden gehouden met alle feitelijke omstandigheden van de betrokken transactie, zoals (dit zijn, niet uitputtend, de zogenoemde
Spijkers-criteria, genoemd naar het in noot 16 als eerste genoemde arrest):
tuincentrumopen…
subsidiaire klachtuit
subonderdeel 2.1.2-I,dat het hof in ieder geval met betrekking tot het dierenbenodigdheden-deel onjuist heeft geoordeeld. Ook slaagt dan de tweede hoofdklacht (
subonderdelen 2.1.3-i t/m iii en 2.1.5), opnieuw voor zover deze klachten betrekking hebben op het dierbenodigdheden-gedeelte. Althans slagen de betreffende motiveringsklachten. Alleen al daarom kan het bestreden arrest mijns inziens niet in stand blijven.
gefailleerd. Volgens art. 7:666 lid 1 BW Pro is het beschermingsregime van overgang van onderneming niet van toepassing bij faillissement [42] . Dat lijkt meteen al einde oefening voor deze exercitie. Bovendien staat vast dat [betrokkene 1] een nieuwe, separate arbeidsovereenkomst met [eiseres] heeft gesloten in januari 2008, zodat van contractsovername
van rechtswegevolgens art. 7:663 BW Pro in de verhouding [betrokkene 1] – [eiseres] helemaal geen sprake is. Zo te zien is dit aspect in feitelijke instanties niet onderkend, maar ik denk dat daar de hier bedoelde klachten gewoon op stuklopen. Voor het geval dat anders moet worden gezien, is er ook los daarvan wel de nodige ruimte voor twijfel of ook bij het tuincentrum sprake is van overgang van onderneming. Je kan dat ruim of beperkt zien en het hof heeft zo te zien een tussenpositie ingenomen. Ik laat ze alle drie de revue passeren – maar uitdrukkelijk in subsidiaire sleutel, want ik denk dat het faillissement van de derde hier als gezegd überhaupt een stokje voor steekt.
subonderdelen 2.1.2-I (primaire deel) t/m 2.1.2-III)slagen, met uitzondering van de klachten over de devolutieve werking van het appel. Ik zie ook in subsidiaire sleutel niet dat het hof de devolutieve werking heeft miskend. In beginsel geldt de regel dat een hogere rechter aan een in de vorige instantie genomen eindbeslissing is gebonden als deze niet door een grief of een cassatiemiddel wordt bestreden [43] . Een geïntimeerde wordt beschermd, indien hij niet opkomt tegen een voor hem ongunstige eindbeslissing, die niet heeft geleid tot een voor hem ongunstig dictum. In een dergelijk geval komen zijn niet behandelde of wel behandelde maar verworpen stellingen en weren ambtshalve aan de orde zodra de appelrechter een van de grieven van appellant gegrond acht [44] . De devolutieve werking beschermt tegen de gevolgen van een wending in het juridische debat in hoger beroep, waardoor een gedeelte van de rechtsstrijd herleeft, waar in de benadering van de rechtbank nog aan voorbij gegaan kon worden. De rechtsfiguur biedt dan ook in de eerste plaats bescherming tegen de gevolgen van het niet-instellen van (incidenteel) appel. Daar mag niet uit worden afgeleid dat de stellingen die bij de rechtbank nog waren ingenomen inmiddels zijn prijsgegeven. In deze zaak is het niet geïntimeerde, maar appellant [eiseres] die zich er in cassatie op beroept dat het hof de devolutieve werking zou hebben miskend. Het is juist dat het in de benadering van de kantonrechter alleen ging om het
belangbij de vordering, waardoor de inhoudelijke stellingen van [eiseres] onbesproken zijn gebleven. Het is echter aan [eiseres] als appellant om in een dergelijk geval in de grieven naar voren te brengen waarom die benadering van de rechtbank onjuist is. Dat heeft zij blijkens grieven VIII en IX ook gedaan. In zoverre faalt het gedeelte van
subonderdeel 2.1.2-IIhoe dan ook voor zover geklaagd wordt over een onjuiste rechtsopvatting over de devolutieve werking ook in deze meest rekkelijke visie.
tuincentrum-gedeelteheeft voortgezet na het faillissement van de derde in 2007. Dat is bij eerste beschouwing wel te volgen; [eiseres] was verkoopster ten behoeve van de
dierbenodigdheden-tak van het gefailleerde tuincentrum en niet betrokken bij de
tuincentrum-activa daarvan. Maar gelet op de in het middel aangegeven plaatsen waar [eiseres] in feitelijke instanties gesteld heeft dat
ook met betrekking tot het tuincentrumsprake is van voortzetting wegens identiteitsbehoud en de daar tegenover staande betwisting van de kant van [verweerder], die niet gedetailleerd inhoudelijk is op dat punt, maar mijns inziens wel
als betwistingheeft te gelden [45] , zou [eiseres] dan toch
minstgenomentot bewijslevering moeten zijn toegelaten overeenkomstig haar bewijsaanbod. Ook dit overigens weer uitdrukkelijk in subsidiaire sleutel.
subonderdeel 2.1.2-IIIkunnen slagen, tenzij je voorop moet stellen dat vanwege het faillissement toch geen ruimte is voor een ander oordeel op dit punt, dan faalt deze klacht tegen rov. 2.9. Overigens geldt dat ook voor
subonderdeel 2.1.2-Ivoor zover daarin de motiveringsklacht besloten ligt dat [eiseres] niet zou hebben gesteld dat exploitatie van het tuincentrum door [betrokkene 1] is overgegaan na het faillissement van de derde.
nietinhoudelijk
heeft betwistdat [eiseres] heeft gesteld dat sprake is van overgang van het tuincentrum (met dierbenodigdheden-tak) naar [betrokkene 1], zodat dit
als vaststaand feithad moeten worden gezien door het hof, waardoor art. 149 Rv Pro zou zijn geschonden. Als gezegd is dit wel degelijk betwist door [verweerder] (vgl. noot 52).
subonderdeel 2.1.2-Iook in subsidiaire sleutel
nietgegrond. Of
subonderdeel 2.1.2-II(passage essentiële stellingen) terecht is voorgesteld, kan bij die stand van zaken mijns inziens blijven rusten.
subonderdeel 2.2, dat geen afzonderlijke bespreking behoeft.