ECLI:NL:PHR:2009:BH9032
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over uitlevering wegens kinderontvoering en dubbele strafbaarheid
De zaak betreft een uitleveringsverzoek van Canada aan Nederland voor de vervolging van een moeder die haar minderjarige kind in maart 2005 zonder toestemming van de vader naar Canada heeft meegenomen. De rechtbank Utrecht had de uitlevering in 2008 toelaatbaar verklaard op grond van de Canadese strafbepaling omtrent kinderontvoering en het Nederlandse artikel 279 Sr Pro.
De verdediging stelde dat de moeder op het moment van vertrek uit Canada de tijdelijke voogdij over het kind had en gerechtigd was met het kind te reizen, zodat geen sprake was van een strafbaar feit onder Nederlands recht. De rechtbank verwierp dit verweer en oordeelde dat de dubbele strafbaarheid was voldaan.
De Hoge Raad stelt echter dat het Nederlandse strafrecht niet zo ver reikt als het Canadese en dat het feit waarvoor uitlevering wordt verzocht niet strafbaar is volgens artikel 279 Sr Pro. De Canadese voogdijbeschikking en omgangsregeling verhinderen niet dat de moeder met het kind naar het buitenland vertrekt. Hierdoor ontbreekt het vereiste van dubbele strafbaarheid en is uitlevering ontoelaatbaar.
De overige middelen van cassatie worden verworpen. De Hoge Raad vernietigt het bestreden vonnis en beveelt dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen voor een zitting van de Hoge Raad.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verklaart de uitlevering ontoelaatbaar wegens het ontbreken van dubbele strafbaarheid.