ECLI:NL:PHR:2009:BH9287
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging partneralimentatie wegens samenwonen als waren zij gehuwd en oproepingsvereisten in hoger beroep
De vrouw en man zijn in 1984 gehuwd en in 2005 gescheiden waarbij de man partneralimentatie aan de vrouw moest betalen. De man verzocht in 2006 de alimentatie te beëindigen op grond van samenwonen van de vrouw met een nieuwe partner als waren zij gehuwd (art. 1:160 BW Pro). De rechtbank wees dit verzoek af wegens onvoldoende bewijs van duurzaamheid en wederzijdse verzorging. In hoger beroep stelde de vrouw geen verweer, waarna het hof de alimentatie beëindigde.
De vrouw stelde cassatie in met klachten over de oproeping in hoger beroep en de inhoudelijke beoordeling. De Hoge Raad oordeelde dat de vrouw als niet in de procedure verschenen belanghebbende moest worden aangemerkt omdat zij geen verweerschrift had ingediend en niet ter zitting was verschenen. Hierdoor had zij per aangetekende brief moeten worden opgeroepen, wat niet was gebeurd. De oproeping via de procureur was onvoldoende.
Daarnaast behandelde de Hoge Raad de uitleg van art. 1:160 BW Pro. Het hof had terecht geoordeeld dat sprake was van samenwonen als waren zij gehuwd, maar het oordeel over de rol van de nieuwe partner ten opzichte van de kinderen uit het ontbonden huwelijk was niet beslissend. De Hoge Raad vernietigde de beschikking en verwees de zaak terug voor een nieuwe beoordeling waarbij de juiste oproepingsregels in acht worden genomen.
Uitkomst: De beschikking die partneralimentatie beëindigde wordt vernietigd vanwege onjuiste oproepingswijze en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde behandeling.