Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Beoordeling van het cassatieberoep
indieningvan een verzoekschrift (…) door een procureur moet geschieden. Met verzoekschrift is hier bedoeld het inleidende verzoekschrift. In de gevallen waarin de rechter-commissaris of een raadsheer-commissaris een beslissing moet geven, bijv. over de toelating van getuigen, is de zaak reeds voor de rechter aanhangig. Het ontwerp laat toe, dat de verzoeker of een belanghebbende in persoon zonder procureursbijstand verschijnt. Beslissingen van de rechter-commissaris of van de raadsheer-commissaris moeten derhalve zonder procureursbijstand gevraagd kunnen worden.” [24]
Stb. 2008, 100, waarbij in die bepalingen procureur is vervangen door advocaat):
onderdelen 2 tot en met 4van het middel zijn gericht tegen het inhoudelijke oordeel van het hof over de draagkracht van de man.
NJ2008/402). Weliswaar kan de rechter redenen aanwezig oordelen om in afwijking van deze hoofdregel aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, maar in dat geval dient hij dit oordeel te motiveren. In dit verband valt te denken aan schulden die na het vaststellen van de onderhoudsplicht onnodig werden aangegaan, of aan schulden ten aanzien waarvan de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich te bevrijden of een regeling te treffen (zie HR 29 september 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6360,
NJ1979/143).”
ten eerste, over onbegrijpelijkheid althans ontoereikende motivering van het oordeel van het hof in rov. 4.4, p. 4, dat “
het op grond van de stukken en het ter zitting verhandelde voldoende aannemelijk is geworden dat de man een aanzienlijke schuldenlast heeft te voldoen, die van invloed is op zijn draagkracht”en het daarop voortbouwende oordeel dat
“het redelijk (is) bij het vaststellen van zijn draagkracht rekening te houden met een bedrag van € 100,- per maand in verband met de aflossing op schulden.”Daartoe wordt aangevoerd enerzijds (i) dat, mede gelet op de stellingen van de vrouw, uit geen van de in januari 2014 overgelegde (in rov. 2.5 genoemde) stukken, noch uit het verhandelde ter zitting van 5 september 2013 resp. 17 juli 2014, kan worden afgeleid dat er op de datum van de beschikking daadwerkelijk sprake was van schulden of aflossingen, terwijl anderzijds (ii) de man geen, althans geen met bewijsstukken onderbouwde andere schulden heeft opgevoerd (verzoekschrift tot cassatie nr. 2.7-2.10).
Voortswordt geklaagd over veronachtzaming van art. 2.1.2 sub f van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven (januari 2014). [41] Voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat de man aan de in die bepaling genoemde verplichting heeft voldaan, is dat oordeel onbegrijpelijk, aldus het onderdeel (verzoekschrift tot cassatie nr. 2.11).
Ten slottestrekt de op de vorige klachten voortbouwende slotklacht tot betoog dat het onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 4.4, p. 5, gewag maakt van een in verrekening gebrachte ‘openstaande schuld’ (cassatieverzoekschrift nr. 2.12).
Onderdeel 3luidt dat het hof niet, althans niet op voldoende begrijpelijke wijze, heeft gerespondeerd op de als essentieel aan te merken stelling van de vrouw dat de schulden van de man na het beëindigen van de relatie en onnodig zijn aangegaan en om die reden buiten beschouwing moeten worden gelaten (verzoekschrift tot cassatie nrs. 2.13-2.15).
desalnietteminuit de stukken – en uit het verhandelde ter zitting – aannemelijk is geworden dat de man ook ten tijde van ’s hofs beschikking kampt met een aanzienlijke schuldenlast, kennelijk gelet op de hoogte van zijn – niet stabiele, doch sterk wisselende – inkomen, en de (in relatie tot zijn inkomsten) hoge schuldenlast waarvan, naar wél uit zijn stukken blijkt, recentelijk in ieder geval nog sprake was. Dat, in ’s hofs gedachtegang, tegen die achtergrond met een schattenderwijs op € 100 te bepalen bedrag aan aflossing wegens aanzienlijke schulden rekening moet worden gehouden bij het bepalen van zijn draagkracht, is, mede in het licht van de (aangeboden) betalingsregeling met de fiscus ad € 50 per maand (rov. 2.5 sub 4) mijns inziens alleszins begrijpelijk.
inde formule te corrigeren. Staan bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vast, dan kan daarmee rekening worden gehouden door het draagkrachtloos inkomen te verhogen (rapport, versie juli 2014, p. 48). Deze correctiemogelijkheid moet worden onderscheiden van die als bedoeld in par. 7.3, de aanvaardbaarheidstoets, die plaatsvindt
nadatberekening volgens de formule heeft plaatsgevonden. Indien sprake is van lasten – bijvoorbeeld schulden – die niet op de voet van par. 7.2 in aanmerking zijn genomen, kan aanleiding bestaan voor toepassing van de aanvaarbaarheidstoets. Vaststelling van een bijdrage op basis van het rekenmodel kan tot een onaanvaardbare situatie leiden indien de onderhoudsplichtige niet meer in de noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien of minder dan 90 % van de voor hem geldende bijstandsnorm zou overhouden. Indien de onderhoudsplichtige onderbouwd stelt dat de op basis van het rekenmodel vastgestelde bijdrage niet aanvaardbaar is, kunnen niet meegewogen lasten alsnog worden meegewogen (rapport, p. 49). In de praktijk blijken de twee criteria vaak door elkaar te lopen [43] en wordt de correctie binnen de formule op de voet van par. 7.2 wel aangeduid als toepassing van de aanvaardbaarheidstoets. [44]
+ 100)].