ECLI:NL:PHR:2009:BH9943
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vordering en oplegging ISD-maatregel bij openstaande strafrestanten en redelijke termijn
In deze zaak staat de oplegging van de ISD-maatregel centraal, waarbij het hof oordeelde dat de vordering van het Openbaar Ministerie niet in strijd was met de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige zeer actieve veelplegers, ondanks openstaande strafrestanten van minder dan vier maanden. De verdachte was door het Gerechtshof Arnhem veroordeeld tot een ISD-maatregel voor twee jaar na vrijspraak en een veroordeling voor medeplegen van poging tot zware mishandeling.
De verdediging voerde aan dat de vordering niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat deze in strijd was met de Richtlijn, die bepaalt dat bij meer dan vier maanden openstaande vrijheidsstraffen geen ISD-maatregel mag worden gevorderd. Het hof stelde vast dat de openstaande strafrestanten, inclusief vervangende hechtenis voor taakstraffen, minder dan vier maanden bedroegen en dat de tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis pas meetelt indien deze is bevolen.
De Hoge Raad bevestigde dat de Richtlijn als recht in de zin van artikel 79 RO Pro moet worden beschouwd, maar oordeelde dat het middel faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Tevens constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden, maar zag geen aanleiding tot strafvermindering wegens deze overschrijding. Het cassatieberoep werd verder verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de rechtmatigheid van de oplegging van de ISD-maatregel ondanks openstaande strafrestanten onder vier maanden.