ECLI:NL:PHR:2009:BI1308
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid bijzondere voorwaarde teruggave gestolen hond in voorwaardelijke gevangenisstraf
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf met een bijzondere voorwaarde dat hij het door hem gestolen hondje binnen een maand na onherroepelijkheid van het arrest aan de eigenaresse moest teruggeven.
Verdachte stelde primair dat deze bijzondere voorwaarde niet onder de in art. 14c lid 2 Sr genoemde categorieën valt en subsidiair dat de naleving van de voorwaarde afhankelijk is van medewerking van derden, waardoor deze ontoelaatbaar zou zijn.
De Hoge Raad oordeelt dat teruggave van het gestolen goed als bijzondere voorwaarde kan worden aangemerkt, hetzij onder de eerste categorie van vergoeding van schade in natura, hetzij onder de vijfde categorie van gedragsvoorwaarden. Ook de subsidiaire klacht faalt omdat de verdachte geacht moet worden te voldoen aan wat redelijkerwijs van hem kan worden verwacht, ongeacht medewerking van derden.
Het hof heeft bovendien niet onbegrijpelijk geoordeeld dat verdachte nog de beschikking over het hondje had, gelet op zijn verklaring en het feit dat hij zich op eigendom beriep. De Hoge Raad vernietigt het arrest voor wat betreft de strafoplegging wegens termijnoverschrijding en vermindert het onvoorwaardelijke deel van de straf, maar wijst het cassatieberoep voor het overige af.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de toelaatbaarheid van de bijzondere voorwaarde tot teruggave van het gestolen hondje en vermindert de straf wegens termijnoverschrijding.