Conclusie
3.Bewezenverklaring en bewijsvoering
als verklaring van aangever [aangever] (de moeder van [slachtoffer 1] ):
als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
verklaring van verdachte [verdachte] :
4.Het eerste middel
in de directe nabijheidvan [slachtoffer 1] kan daaruit evident worden afgeleid.
5.Het tweede middel
6.Het derde middel
NJ2012/461 m.nt. Mevis – dat een klacht over het ontbreken van een klacht niet voor het eerst in cassatie kan worden aangevoerd, maar meent dat dit slechts heeft te gelden indien er sprake is van rechtskundige bijstand van een raadsman ter terechtzitting, terwijl door de verdachte zelf ter terechtzitting is aangevoerd dat [slachtoffer 1] zich onmogelijk belaagd kan hebben gevoeld. Dit standpunt van de verdachte kan volgens de steller van het middel niet anders worden verstaan dan dat er geen sprake is van een daadwerkelijke wil tot vervolging. Uit de stukken blijkt ten slotte niet van een wens van [slachtoffer 1] tot daadwerkelijke strafvervolging van de verdachte.
NJ2012/461 m.nt. Mevis klaagde het middel dat het hof het openbaar ministerie ten onrechte ontvankelijk had geoordeeld in de vervolging, nu niet was gebleken dat door of namens alle belaagden een klacht was ingediend. De Hoge Raad verwierp deze klacht door te oordelen dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep inhield dat de verdachte aldaar was verschenen en was bijgestaan door een raadsman, maar niet inhield dat het verweer is gevoerd dat niet is gebleken dat door alle belaagden een klacht is ingediend, terwijl daarover niet met vrucht voor het eerst in cassatie kan worden geklaagd. [8] Van Dorst leidt uit dit arrest af dat wanneer de zaak in appel
op tegenspraak(curs. DP) is behandeld en toen geen beroep is gedaan op het ontbreken van de vereiste klacht, daarover niet met vrucht voor het eerst in cassatie kan worden geklaagd. [9] Daarvan uitgaande rijst nog wel de vraag of het ter terechtzitting in hoger beroep door de verdachte gevoerde verweer door het hof had moeten worden aangemerkt als een beroep op het ontbreken van een klacht door de belaagde en zo ja, of het hof daar ten onrechte aan voorbij is gegaan.
7.Het vierde middel
3 (drie) maanden.
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.
NJ2009/368, geoordeeld dat onjuist is de opvatting dat art. 14c Sr niet toelaat een bijzondere voorwaarde dat de verdachte, die is veroordeeld voor diefstal van een hond, deze gestolen hond moet teruggeven. Er is echter sprake van verschillen tussen die zaak en de onderhavige. De veroordeelde wegens diefstal van de hond diende een voorwerp dat aan een ander toebehoort, maar dat door die diefstal bij een ander is weggenomen, aan die ander terug te geven. In zo een geval kan de voorwaarde worden aangemerkt als een bijzondere voorwaarde als bedoeld in (thans) art. 14c, tweede lid onder 2° Sr (de teruggave als herstel van de door het strafbare feit veroorzaakte schade), maar ook als een voorwaarde als bedoeld in (thans) art. 14c, tweede lid onder 14° Sr (de teruggave kan worden beschouwd als gedraging waartoe de veroordeelde uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht). [16] De veroordeelde in de onderhavige zaak dient een (onbepaalde hoeveelheid) eigendom(men) vanwege het daarop opgeslagen beeld- en filmmateriaal in te leveren, na een veroordeling wegens belaging, waarbij hij wat betreft het vervaardigen van een deel van dat materiaal is vrijgesproken. Het vraagpunt in de onderhavige zaak is daarmee alleen toegespitst op de vraag of de gestelde bijzondere voorwaarde aan de maatstaven voldoet voor toepassing van art. 14, tweede lid onder 14° Sr.
)nog in zijn bezit heeft. Het hof biedt de veroordeelde daarmee gelegenheid om de gegevensdragers zelf te (laten) ontdoen van de betreffende afbeeldingen/filmopnames, zodat daarvoor de verplichting tot inlevering niet meer geldt. Zo bezien, kan de veroordeelde aan de gestelde bijzondere voorwaarde voldoen door alleen die gegevensdragers in te leveren met afbeeldingen/filmopnames van het slachtoffer die hij niet heeft kunnen verwijderen. Dit maakt de voorwaarde ook proportioneel.
8.Het vijfde middel
Beslag