ECLI:NL:PHR:2009:BI2153
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid telefoontap en bewijsuitsluiting bij georganiseerde bedrijfsinbraken
In deze zaak stond de rechtmatigheid van een bevel tot het opnemen van telecommunicatie centraal, uitgevaardigd in het kader van een onderzoek naar georganiseerde bedrijfsinbraken. De verdediging stelde dat niet was voldaan aan de wettelijke vereisten voor het bevel, onder meer omdat er geen verdenking was van een misdrijf zoals bedoeld in artikel 67 Sv Pro, geen ernstige inbreuk op de rechtsorde bestond en er minder ingrijpende opsporingsmiddelen beschikbaar waren. Ook werd betoogd dat het daarop gebaseerde bewijs, inclusief de woningdoorzoeking, uitgesloten moest worden.
Het hof oordeelde dat de georganiseerde aard van de vermogenscriminaliteit, de duur van het onderzoek en de verontrusting in het regionale bedrijfsleven een ernstige inbreuk op de rechtsorde vormden. De rechter-commissaris had in redelijkheid de machtiging kunnen verlenen. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het middel dat het hof te lichtvaardig zou hebben geoordeeld.
Daarnaast behandelde de Hoge Raad klachten over de bewijsvoering en de datum in de bewezenverklaring. De verklaringen van getuigen en verdachte werden beoordeeld als voldoende om wederrechtelijke toe-eigening aan te tonen. Een kennelijke schrijffout in de datum van een inbraak werd vastgesteld, maar dit deed niet af aan de bewijsvoering. De Hoge Raad concludeerde dat het bewijs niet uitgesloten hoefde te worden en verwierp het cassatieberoep, terwijl hij ambtshalve de strafvermindering toestond wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de rechtmatigheid van het telefoontapbevel en wijst het bewijsuitsluitingsverweer af, terwijl hij ambtshalve de straf vermindert wegens termijnoverschrijding.