ECLI:NL:PHR:2009:BI4030
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling relatieve bevoegdheid rechtbank Utrecht bij feiten gepleegd in treintraject Almere-Utrecht
In deze zaak stond de vraag centraal of de rechtbank te Utrecht relatief bevoegd was om kennis te nemen van tenlastegelegde feiten die plaatsvonden in een rijdende trein op het traject Almere-Utrecht. Het hof had geoordeeld dat de rechtbank Utrecht bevoegd was omdat verdachte daar was aangehouden en verhoord. De Hoge Raad stelt dat de clausule in art. 2 Sv Pro over de plaats waar de verdachte zich bevindt, moet worden gelezen als de plaats waar de verdachte zich bevindt op het moment dat de vervolging wordt aangevangen.
De Hoge Raad benadrukt dat de relatieve bevoegdheid primair wordt bepaald op grond van de pleegplaats zoals vermeld in de tenlastelegging. Indien de pleegplaats niet nauwkeurig is vastgesteld, kan dat gevolgen hebben voor de bevoegdheid van de rechtbank. In dit geval was de pleegplaats omschreven als het treintraject Almere-Utrecht, zonder vaststelling binnen welk arrondissement de feiten precies plaatsvonden.
Het hof had niet vastgesteld dat de feiten daadwerkelijk in het arrondissement Utrecht waren gepleegd, waardoor het oordeel dat de rechtbank Utrecht bevoegd was, niet juist is. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en laat de beslissing over aan de Hoge Raad zelf. De zaak betreft een belangrijke interpretatie van de regels omtrent relatieve bevoegdheid bij feiten die zich over meerdere rechtsgebieden uitstrekken.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens onjuiste beoordeling van de relatieve bevoegdheid van de rechtbank Utrecht.