ECLI:NL:PHR:2009:BI4693

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/00509
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 lid 2 SvArt. 435 lid 1 SvArt. 432 lid 1 SvArt. 451a SvArt. 36f Sr
Verwijzingen
8 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens termijnoverschrijding bij moordzaak

Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf wegens moord op het NS-station Roosendaal, waarbij hij het slachtoffer met een bijl meerdere malen op het hoofd sloeg. Tevens werd een schadevergoeding toegekend en een maatregel van terbeschikkingstelling opgelegd.

Verdachte stelde beroep in cassatie in, maar deed dit te laat, namelijk op 23 januari 2009, terwijl de termijn veertien dagen bedroeg. Bovendien heeft zijn raadsman niet binnen de wettelijke termijn een schriftuur met middelen van cassatie ingediend. Hierdoor is artikel 437 lid 2 Sv Pro niet nageleefd.

De Hoge Raad concludeert dat verdachte niet-ontvankelijk is in zijn cassatieberoep. Zelfs indien de middelen tijdig waren ingediend, zou het beroep niet ontvankelijk zijn verklaard vanwege het te late instellen van het cassatieberoep. De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van termijnen in cassatieprocedures.

Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen en het te laat instellen van het beroep.

Conclusie

Nr. 09/00509
Mr Fokkens
Zitting: 19 mei 2009
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij arrest van 6 januari 2009, LJN BG8922, wegens moord veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren. Tevens heeft het Hof gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd, met het advies dat pas met de behandeling zal worden gestart nadat verdachte tweederde van de opgelegde gevangenisstraf heeft ondergaan. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen voor een bedrag van € 3.891,22 in combinatie met de maatregel ex art. 36f Sr te vervangen door 48 dagen hechtenis.
2. Tegen deze uitspraak heeft verdachte beroep in cassatie ingesteld.
3. De onderhavige zaak is bekend geworden als de bijlmoord op het NS-station Roosendaal. Ten laste van verdachte heeft het Hof bewezen verklaard dat 'hij op 08 september 2007 te Roosendaal opzettelijk en met voorbedachte raad [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, [slachtoffer] meermalen met een bijl op het hoofd geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden'.
4. Voor de beoordeling van het cassatieberoep is van belang dat op 13 februari 2009 aan de verdachte in persoon de aanzegging is uitgereikt inhoudende dat de stukken van het geding bij de Hoge Raad zijn ingekomen (art. 435 lid 1 Sv Pro). Na ommekomst van de daarvoor in de wet gestelde termijn van twee maanden (art. 437 lid Pro 2) is bij de griffie van de Hoge Raad geen schriftuur ingediend door de raadsman van verdachte inhoudende de middelen van cassatie. Dit betekent dat de verdachte niet-ontvankelijk is in zijn cassatieberoep.
5. In zoverre ten overvloede merk ik op dat ook indien een raadsman tijdig een schriftuur houdende middelen van cassatie zou hebben ingediend, de Hoge Raad niet aan een inhoudelijke behandeling van de zaak zou zijn toegekomen. De reden daarvoor is dat de verdachte te laat beroep in cassatie heeft ingesteld. Uit de op de voet van art. 451a Sv opgemaakte schriftelijke verklaring blijkt dat de verdachte op vrijdag 23 januari 2009 beroep in cassatie heeft ingesteld tegen het op 6 januari 2009 uitgesproken arrest. Dat is buiten de daarvoor in art. 432 lid 1 Sv Pro gestelde termijn van veertien dagen. Ook dit zou hebben meegebracht dat verdachte niet-ontvankelijk is in zijn ingestelde beroep.
6. Ik concludeer dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden