ECLI:NL:PHR:2009:BI7139
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid cassatieberoep inzake voorlopige partneralimentatie en draagkrachtberekening
In deze zaak staat de voorlopige vaststelling van partneralimentatie centraal, waarbij het hof Arnhem een bedrag van € 702,- per maand aan de vrouw toekent, voorlopig totdat het hof anders beslist. De man, die directeur is van een onderneming met wisselende resultaten, betwist zijn draagkracht en stelt dat zijn kosten, met name voor thuiszorg, onvoldoende zijn meegenomen.
Het hof heeft een deskundigenonderzoek bevolen om het mogelijke extra inkomen uit de onderneming te bepalen, en heeft de alimentatie voorlopig vastgesteld zonder de mogelijkheid van verlaging uit te sluiten. De Hoge Raad overweegt dat deze voorlopige beschikking geen eindbeslissing is en daarom het cassatieberoep van de man niet ontvankelijk is.
De Hoge Raad bespreekt ook de klacht dat het hof onvoldoende rekening heeft gehouden met de hoge kosten van thuiszorg. Hoewel het hof een maandelijkse eigen bijdrage van € 475,- heeft aangenomen, heeft het de hogere zorgkosten van € 4.000 tot € 6.000 per vier weken niet gemotiveerd buiten beschouwing gelaten. Dit is een gebrek in de motivering.
De conclusie is dat de man niet in cassatie kan worden ontvangen, maar voor het geval dat wel zou gelden, is het cassatiemiddel inhoudelijk besproken. De zaak betreft een complexe beoordeling van voorlopige alimentatie en draagkracht, waarbij het hof nog geen definitieve beslissing heeft genomen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de beschikking een voorlopige en niet onherroepelijke beslissing betreft.