ECLI:NL:PHR:2009:BI7190
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verjaring en onrechtmatige overheidsdaad bij inbeslagname en niet-teruggave geldbedragen
In deze zaak vordert eiser schadevergoeding van de Staat wegens onrechtmatige daad, omdat de Staat het ten laste van hem in beslag genomen geld niet heeft terugbetaald nadat het strafvorderlijk belang bij het beslag was vervallen. Het hof stelde vast dat de verjaringstermijn van vijf jaar is aangevangen op het moment dat eiser zijn vervangende hechtenis had uitgezeten, omdat hij toen bekend was met de schade, de aansprakelijke persoon en de opeisbaarheid van de vordering.
Eiser voerde aan dat de Staat opzettelijk het bestaan van de schuld en de opeisbaarheid daarvan verborgen hield door hem in het ongewisse te laten over de vraag of het beslag was opgeheven en wat er met het geld was gebeurd, waardoor de verjaringstermijn verlengd zou moeten worden. Dit beroep werd door het hof verworpen, omdat het niet gaat om het verborgen houden van de grondslag van de vordering, maar om een verweer dat de Staat tegen de vordering kan voeren.
Ook het beroep op stuiting van de verjaring faalde, omdat de enige brief van eiser aan de Staat in de verjaringstermijn geen ondubbelzinnige mededeling bevatte waarin hij zijn recht op schadevergoeding voorbehoudt. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af, waarbij wordt benadrukt dat de verjaringstermijn pas begint te lopen als de benadeelde daadwerkelijk in staat is de vordering in te stellen en dat het niet vermelden van besteding van het geld geen verlenging of stuiting van de verjaring oplevert.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige overheidsdaad is verjaard en wijst het cassatieberoep af.