ECLI:NL:PHR:2009:BJ1940
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt gedwongen ontheffing uit ouderlijk gezag met nadruk op toekomstperspectief kinderen en art. 8 EVRM
Deze zaak betreft een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot ontheffing van de verzoekster uit het ouderlijk gezag over twee minderjarige kinderen, vanwege haar onmacht om adequaat voor hen te zorgen. De kinderen zijn sinds 1998 onder toezicht gesteld en sinds 2004 uithuisgeplaatst, verblijvend in een pleeggezin en later een opvoedkundige instelling.
De rechtbank en het hof hebben vastgesteld dat de situatie van art. 1:268 lid 2 sub a BW Pro zich voordeed, waarbij de maatregelen onvoldoende waren om ernstige bedreiging van de belangen van de kinderen te voorkomen. De Hoge Raad benadrukt het belang van het toekomstperspectief van de kinderen en de beoordelingsmarge die de rechter heeft bij het horen van kinderen, waarbij mondeling horen niet altijd vereist is.
De Hoge Raad bespreekt de toetsing aan art. 8 EVRM Pro, waarbij maatregelen die het ouderlijk gezag beperken een zware inbreuk vormen en alleen gerechtvaardigd zijn bij een pressing social need. Het hof heeft de belangen en gedragingen van de verzoekster zorgvuldig gewogen, en het horen van de kinderen per brief passend geacht gezien de omstandigheden.
De klachten van verzoekster over het niet horen van de kinderen als getuigen en het gebruik van een brief van de dochter zijn ongegrond bevonden, mede omdat de procedurele rechten zijn gewaarborgd en de beoordeling van het hof binnen de marges van de wet en het EVRM valt. De Hoge Raad concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het besluit tot gedwongen ontheffing uit het ouderlijk gezag wordt bevestigd.