ECLI:NL:PHR:2009:BK1602
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling forfaitaire schadeloosstelling huurder bij onteigening en voortgezet gebruik
Deze zaak betreft de beoordeling van de hoogte van de schadeloosstelling die toekomt aan een huurder van een gedeelte van een onteigend perceel. De huurder had het onteigende gehuurd van zijn vader, de eigenaar, en maakte aanspraak op vergoeding op grond van art. 42 lid 2 Onteigeningswet Pro (Ow), dat een forfaitaire schadeloosstelling bepaalt van tweemaal de jaarhuur.
De Staat had de rechtbank gevraagd de vergoeding te matigen vanwege het feit dat de huurder het onteigende na de vervroegde onteigening tot een later tijdstip kosteloos mocht blijven gebruiken. De rechtbank ging hierin mee en halveerde de forfaitaire vergoeding. De Hoge Raad oordeelt dat deze matiging niet verenigbaar is met de vaste regel van art. 42 lid 2 Ow Pro, die geen ruimte laat voor correcties wegens voordelen die de huurder geniet, behalve in het voordeel van de huurder zelf.
De Hoge Raad benadrukt dat de forfaitaire regeling bedoeld is om discussie over werkelijk geleden schade te voorkomen, en dat uitzonderingen op deze regel slechts in zeer uitzonderlijke gevallen zijn toegestaan. Voortgezet gebruik na onteigening leidt niet tot vermindering van de vergoeding, maar kan wel het tijdstip van ingangsdatum van rente beïnvloeden. De Hoge Raad vernietigt het bestreden vonnis voor zover het de vergoeding heeft gematigd en bepaalt dat de schadeloosstelling moet worden vastgesteld op het volledige forfaitaire bedrag.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de matiging van de schadeloosstelling en bepaalt dat de huurder recht heeft op de volledige forfaitaire vergoeding van €730.314,-.