ECLI:NL:PHR:2009:BK3577
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep tegen machtiging voortzetting inbewaringstelling Wet Bopz
In deze zaak ging het om een cassatieberoep tegen een beschikking waarbij de rechtbank een machtiging verleende tot voortzetting van een inbewaringstelling op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz). De last tot inbewaringstelling was afgegeven door een wethouder namens de burgemeester van de gemeente Zaanstad, terwijl de betrokkene zich niet in die gemeente bevond. De raadsvrouwe van betrokkene stelde primair dat de officier van justitie niet-ontvankelijk was omdat de last niet door een bevoegde burgemeester was gegeven.
De Hoge Raad overwoog dat de rechter bij de beoordeling van de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling ex nunc beslist en niet gebonden is aan de last van de burgemeester. De rechter toetst alleen of de vrijheidsbeneming voortgezet mag worden. Eventuele gebreken in de last tot inbewaringstelling staan de machtiging tot voortzetting niet in de weg. Daarnaast is vastgesteld dat tegen de beschikking van de burgemeester geen bezwaar of beroep openstaat en dat eventuele onrechtmatigheden kunnen worden aangevochten via een schadevergoedingsprocedure.
De Hoge Raad concludeerde dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is omdat de geldigheidsduur van de verleende machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling inmiddels was verstreken. Hierdoor ontbrak het procesbelang voor betrokkene om de beslissing van de rechtbank te laten vernietigen. Het cassatieberoep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de geldigheidsduur van de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling was verstreken.