Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
eerstelid (oud) van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBLB) – die volgens het overgangsrecht voor belanghebbendes geval is blijven gelden door de keuze van haar werkgever daarvoor – verbindt looptijdverkorting uitsluitend aan het niet-voldoen aan het ‘schaarste’-criterium (waar de belanghebbende wél aan voldoet). Daar staat echter tegenover dat (i) op 1 januari 2012 ook art. 8 (oud) UBLB is gewijzigd en ook in die voor de belanghebbende nog geldende definitie van ‘ingekomen werknemer’ de 150 km-voorwaarde (voor de toekomst) is ingevoerd; (ii) art. 9d,
tweedelid, (oud) UBLB de inspecteur de bevoegdheid geeft vanaf het zesde jaar bewijs te verlangen “dat de werknemer nog steeds behoort te worden aangemerkt als ingekomen werknemer” en (iii) de toelichting bij het Besluit van de Kroon van 22 december 2011 tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsbesluiten [1] (hierna: het Besluit) zegt dat in de minder-dan-vijf-jaar-gevallen in het zesde jaar jaar tussentijds kan worden getoetst aan de nieuwe voorwaarden.
eerstelid, UBLB (oud) moeten wijzigen door daarin de term ‘niet langer specifieke deskundigheid bezit die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig’ te vervangen door ‘niet langer als ingekomen werknemer in de zin van art. 8 kan Pro worden aangemerkt’. Dat hij dat heeft nagelaten, baat de belanghebbende echter niet: de term ‘ingekomen werknemer’ in art. 9d (oud), eerste en tweede lid, UBLB moet vanaf 2012 gelezen worden zoals het toen gewijzigde art. 8 (oud) UBLB ‘ingekomen werknemer’ definieert, dus met de nieuwe criteria, waaronder de 150 km-voorwaarde. Dat betekent dat de inspecteur, die hoe dan ook vanaf het zesde jaar (opnieuw) mag toetsen of de betrokkene nog steeds een ‘ingekomen werknemer’ is in de zin van art. 8 UBLB Pro (oud), op 1 juli 2012 aan die 150 km-voorwaarde mag toetsen op basis van het
tweedelid van art. 9d
junctohet per 1 januari 2012 gewijzigde art. 8 UBLB Pro. De belanghebbende voldoet niet aan die voorwaarde; zij is dus per 1 juli 2012 geen ‘ingekomen werknemer’ meer in de zin van het per 1 januari 2012 gewijzigde art. 8 UBLB Pro. Daarmee is de 30%-regeling niet meer op haar van toepassing.
eerstelid van art. 9d UBLB moge slordig incompleet zijn na de wetswijziging van 1 januari 2012, maar er kan geen twijfel over bestaan dat de 30%-regeling per 1 januari 2012 werd ‘aangescherpt’ door invoering van onder meer een 150 km-criterium dat
ookzou worden toegepast op alle korter-dan-vijf-jaar-gevallen (zoals dat van de belanghebbende) vanaf hun zesde jaar, op welk moment hoe dan ook een nieuwe toetsing aan de voorwaarden zou plaatsvinden.
contra legemrechtens vertrouwen ontlenen aan toezeggingen van de inspecteur, mits niet zodanig in strijd met de wet dat redelijkerwijs niet op nakoming gerekend kan worden. De inspecteur kan een toezegging voor de toekomst opzeggen, maar zal daarbij rekening moeten houden met de gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtige. De beschikking van de inspecteur is vanaf 1 januari 2012 duidelijk in strijd met de toen ingevoerde criteria voor een ‘ingekomen werknemer’. Inhoudelijk kon dus vanaf die datum niet meer op nakoming gerekend worden. Met een overgangsperiode van een half jaar en de voortbestaande mogelijkheid om de werkelijke extraterritoriale kosten belastingvrij vergoed te krijgen, lijkt mij dat de (materiële) wetgever (de Besluitgever: de Kroon) bij zijn (collectieve) ‘opzegging’ van lopende beschikkingen voldoende met de belangen van de belanghebbende rekening heeft gehouden. Dat de beschikking geen voorbehoud maakt voor wetswijziging, is mijns inziens niet relevant, nu het van algemene bekendheid is dat in Nederland de belastingwet wel eens gewijzigd wordt en de inspecteur niet bevoegd is om toe te zeggen dat hij toekomstige contraire wetswijzigingen niet zal volgen. Dat de beschikking een maximale termijn van tien jaar noemt, staat mijns inziens om dezelfde reden evenmin aan (zorgvuldige) ‘opzegging’ voor de toekomst door de wetgever in de weg. Dat blijkt mijns inziens ook uit de door de Rechtbank aangehaalde arresten HR BNB 1993/205 [2] (het WIR-weekend-arrest), HR BNB 1998/278 [3] (de Oortwetgeving maakte een einde aan lopende afspraken met de fiscus over aftrekbaarheid van beroepskosten) en HR BNB 2005/43 [4] (vervanging van de 35%-beleidsregeling door de wettelijke 30%-regeling stopte de looptijd van anterieure beschikkingen die een maximale looptijd van tien jaar vermeldden). Het staat de wetgever vrij toezeggingen van het bestuur –voor de toekomst – te beëindigen, dus ook om –vanaf het zesde jaar, en alleen voor de toekomst– de criteria voor ‘ingekomen werknemer’ te wijzigen.
2.De feiten en het geding in feitelijke instantie
De bewijsregel geldt voor de tewerkstelling door: (…).
3.Het geding in cassatie
4.De wet en enige besluiten
Tot 1 januari 2011
Hoofdstuk IIA. Vrije vergoedingen en verstrekkingen):
Artikel 10ewordt als volgt gewijzigd:
ingekomen werknemer: door een inhoudingsplichtige uit een ander land aangeworven, of naar een inhoudingsplichtige gezonden werknemer in de zin van artikel 2 van Pro de wet:
2010) – voor zover hier van belang – per 1 januari 2012 zodanig gewijzigd dat het 150 km-criterium ook onderdeel werd van de definitie van ‘ingekomen werknemer’ in het ‘oude’ art. 8 UBLB Pro:
Artikel 8wordt als volgt gewijzigd:
Weekers:
5.Geen wettelijke basis? (middel (i))
eerstelid, UBLB (oud) - die volgens het overgangsrecht voor belanghebbendes geval is blijven gelden door de keuze van haar werkgever daarvoor - verbindt looptijdverkorting uitsluitend aan het niet-voldoen aan het ‘schaarste’-criterium (waar de belanghebbende – kennelijk – wél aan voldoet). Op deze bepaling baseert de belanghebbende dat de looptijd van haar beschikking niet ingekort kan worden. De enige grond voor inkorting die art. 9d,
eerstelid, UBLB (oud) noemt (de deskundigheid van de werknemer is niet meer ‘schaars’) ontbreekt immers in haar geval; zij is nog steeds schaars.
tweedelid, (oud) UBLB de inspecteur de bevoegdheid geeft vanaf het zesde jaar bewijs van de inhoudingsplichtige te verlangen “dat de werknemer nog steeds behoort te worden aangemerkt als ingekomen werknemer” en (iii) de in 4.12 geciteerde toelichting zegt dat in de minder-dan-vijf-jaar-gevallen na zes jaar tussentijds kan worden getoetst aan de nieuwe voorwaarden. Deze twee bepalingen en de toelichting, samen genomen, brengen volgens de fiscus mee dat de inspecteur in belanghebbendes geval bewijs mag verlangen dat zij voldoet aan de voorwaarden voor ‘ingekomen werknemer’ zoals die vanaf 1 januari 2012 gelden.
eerstelid, UBLB (oud) wijzigen (en dus ook art. 10ee UBLB) door daarin de term ‘niet langer specifieke deskundigheid bezit die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig’ te vervangen door ‘niet langer als ingekomen werknemer in de zin van art. 8 kan Pro worden aangemerkt’.
eerstelid (oud) UBLB aan zijn bedoeling aan te passen geen gevolgen verbonden op grond van de enigszins cryptische motivering dat:
tweedelid van art. 9d
junctohet per 1 januari 2012 gewijzigde art. 8 UBLB Pro. De belanghebbende voldoet niet aan die voorwaarde; zij is dus per 1 juli 2012 geen ‘ingekomen werknemer’ meer in de zin van art. 8. Daarmee is de 30%-regeling niet meer op haar van toepassing, anders heeft het stellen van voorwaarden immers geen betekenis, wat er verder zij van het ten onrechte niet aan de nieuwe definitie aangepaste
eerstelid van art. 9d UBLB (oud).
eerstelid van art. 9d UBLB moge inderdaad slordig incompleet zijn na de wetswijziging van 1 januari 2012, maar er kan geen twijfel over bestaan, mede gezien de toelichtingen, dat de 30%-regeling per 1 januari 2012 werd ‘aangescherpt’ door invoering van onder meer een 150 km-criterium dat ook zou worden toegepast op alle korter-dan-vijf-jaar-gevallen vanaf het moment dat zij hun zesde jaar zouden ingaan, op welk moment hoe dan ook een nieuwe toetsing door de inspecteur aan de voorwaarden zou plaatsvinden.
6.Strijd met het vertrouwensbeginsel? (middel (ii))
contra legem, aan toezeggingen van de inspecteur, mits de toezegging niet zodanig in strijd is met de wet dat redelijkerwijs niet op nakoming gerekend kan worden. [22] U heeft voorts in HR BNB 1993/266 [23] geoordeeld dat de inspecteur door een toezegging gewekte verwachtingen rechtens niet meer hoeft te honoreren nadat hij (tijdig) zijn andersluidende standpunt aan de belastingplichtige kenbaar heeft gemaakt. De inspecteur kan een toezegging - voor de toekomst - opzeggen [24] , maar hij zal daarbij het zorgvuldigheidsbeginsel [25] en het rechtszekerheidsbeginsel [26] moeten respecteren en dus rekening moeten houden met de gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtige, bijvoorbeeld met de onmogelijkheid voor de belastingplichtige om alsnog verschuldigde omzetbelasting op korte termijn door te berekenen aan zijn afnemers (Sociale-werkplaatsarrest) [27] of om op korte termijn een certificatenregeling van interne financiering van een co-op te wijzigen (Campina-arrest [28] ). Uit HR NJ 1997, 185 [29] blijkt dat ook indien de uitlating waaraan het vertrouwen is ontleend onverwijld en onmiskenbaar is herroepen, er toch in redelijkheid te honoreren vertrouwen gewekt kan zijn als de belastingplichtige op grond van het kortstondig gewekte vertrouwen iets heeft gedaan of nagelaten dat niet zonder nadeel – buiten het te betalen belastingbedrag - kan worden hersteld.