ECLI:NL:PHR:2010:BI8516
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het begrip 'belang' en verbondenheid in de overdrachtsbelasting bij stichtingen en aandelenvennootschappen
De zaak betreft een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Hof Arnhem, dat een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting aan belanghebbende vernietigde. De kern van het geschil is de uitleg van het begrip 'ten minste een derde gedeelte belang' in artikel 4, derde lid, onderdeel b, juncto de leden zeven en acht van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet BvR), in samenhang met artikel 10a, vierde en vijfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Het gaat met name om de vraag of belanghebbende als verbonden lichaam van de Stichting X1 kan worden aangemerkt.
De Hoge Raad overweegt uitgebreid de parlementaire geschiedenis en literatuur over het begrip 'belang' en de verbondenheidscriteria in zowel de Wet BvR als de Wet Vpb. Uit deze bronnen blijkt dat het begrip 'belang' een materiële toets vereist, waarbij niet alleen formeel aandeelhouderschap, maar ook feitelijke zeggenschap en financiële belangen kunnen meespelen. Bij aandelenvennootschappen is het aandeel in het geplaatste kapitaal en de economische betekenis van zeggenschap relevant. Bij stichtingen, die geen aandelenkapitaal kennen, is zeggenschap via het bestuur en de benoemingsbevoegdheid van bestuurders het centrale criterium.
De Hoge Raad concludeert dat bij stichtingen het criterium van 'ten minste een derde gedeelte belang' in de zin van artikel 4 Wet Pro BvR primair moet worden beoordeeld aan de hand van zeggenschap. Financiële belangen, zoals leningen, tellen slechts mee indien zij leiden tot feitelijke zeggenschap. De Hoge Raad acht het onwenselijk om financiële belangen los van zeggenschap mee te tellen, omdat dit tot onduidelijkheid en moeilijk toepasbare criteria zou leiden. De Hoge Raad bevestigt hiermee de uitspraak van het Hof Arnhem en verklaart het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard; de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting wordt vernietigd.