ECLI:NL:PHR:2010:BK3570
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Wijziging pensioenregeling provisie-inkomsten vereist ondubbelzinnige instemming werknemer
In deze zaak staat centraal of de beëindiging van een pensioenregeling voor provisie-inkomsten van buitendienstmedewerkers van CZ rechtsgeldig heeft plaatsgevonden en of daarvoor ondubbelzinnige instemming van de werknemers vereist was.
De werknemers hadden tot 1 januari 2000 pensioen opgebouwd over hun provisie-inkomsten via een regeling bij verzekeraar Reaal. CZ stelde de regeling te beëindigen wegens niet-waardevastheid en het ontbreken van een nabestaandenpensioen, en bood aan de opgebouwde rechten over te dragen naar de SBZ-pensioenregeling. Diverse werkbesprekingen vonden plaats waarin de beëindiging en bevriezing van de pensioenopbouw werden besproken en schriftelijke instemming met de waardeoverdracht werd gegeven.
De werknemers vorderden pensioenopbouw over de provisie-inkomsten voort te zetten of een vervangende schadevergoeding, en verhoging van de VUT-grondslag met provisie-inkomsten. CZ voerde aan dat de regeling rechtsgeldig was beëindigd met instemming van werknemers en dat provisies niet tot de VUT-grondslag behoorden. Het hof oordeelde dat de regeling met instemming was beëindigd en dat provisies niet meetelden voor de VUT-uitkering.
De Hoge Raad bevestigt dat wijziging van een pensioenregeling een wijziging van de arbeidsovereenkomst betreft die instemming vereist, maar dat de eis van ondubbelzinnige instemming niet algemeen geldt voor nadelige wijzigingen. In dit geval was sprake van duidelijke communicatie en instemming via waardeoverdracht, zodat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had. De vorderingen van de werknemers worden afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de pensioenregeling over provisie-inkomsten rechtsgeldig is beëindigd met instemming van werknemers.