ECLI:NL:PHR:2010:BK6922
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep op inkeerbepaling bij onjuiste aangifte omzetbelasting
In deze zaak staat centraal of de verdachte tijdig gebruik heeft gemaakt van de inkeerbepaling van artikel 69, derde lid, AWR bij het verbeteren van een onjuiste aangifte omzetbelasting. De verdachte had namens een BV een onjuiste aangifte gedaan en deze enkele weken later verbeterd. Het hof oordeelde dat de verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat de belastingdienst op de hoogte was van de onjuistheid, mede door een brief van de Belastingdienst waarin werd gevraagd om nadere informatie.
De Hoge Raad herhaalt dat de inkeerbepaling alleen geldt als de verbetering plaatsvindt voordat de belastingplichtige weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de Belastingdienst de onjuistheid kent. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte al op de hoogte was van het nader onderzoek en daarom niet tijdig tot inkeer is gekomen. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
Daarnaast is in het cassatieberoep het middel van overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM Pro aan de orde gesteld. De Hoge Raad erkent dat de termijn is overschreden, maar ziet geen reden voor vernietiging van het arrest behalve voor wat betreft de hoogte van de straf. De straf kan worden verminderd tot de gebruikelijke maatstaf, het overige beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling wegens het niet tijdig gebruik maken van de inkeerbepaling en vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn.