ECLI:NL:HR:2010:BK6922
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J.W. Ilsink
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep op inkeerbepaling bij onjuiste omzetbelastingaangifte
In deze strafzaak stond de vraag centraal of de verdachte, die namens een besloten vennootschap een onjuiste aangifte omzetbelasting had gedaan, een beroep kon doen op de inkeerbepaling van artikel 69, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
Het Hof had geoordeeld dat de verdachte, toen hij de aangifte verbeterde, redelijkerwijs moest vermoeden dat de belastingambtenaren al op de hoogte waren of zouden worden van de onjuistheid. Dit oordeel werd door de Hoge Raad bevestigd, waarbij werd benadrukt dat het niet gaat om het subjectieve vermoeden van de verdachte, maar om het objectieve redelijk vermoeden.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, wat leidde tot een vermindering van de opgelegde geldboete. De Hoge Raad vernietigde daarom het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de hoogte van de geldboete en stelde deze lager vast.
De Hoge Raad verwierp het beroep voor het overige en bevestigde daarmee het bewijs van opzettelijk onjuiste aangifte en de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor het doen van een onjuiste aangifte en vermindert de geldboete wegens termijnoverschrijding.