ECLI:NL:PHR:2010:BK7086
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad beslist over aftrek detentietijd in Nederland bij buitenlandse strafuitvoering
In deze zaak gaat het om de toepassing van artikel 31, tweede lid, van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS). De rechtbank had nagelaten de periode die de veroordeelde in Nederland in verzekering en bewaring heeft doorgebracht, af te trekken van de opgelegde gevangenisstraf. De Hoge Raad stelt vast dat deze tijd wel in mindering moet worden gebracht.
De veroordeelde was in Polen veroordeeld tot een gevangenisstraf en vervolgens in Nederland veroordeeld tot een gevangenisstraf waarvan een deel voorwaardelijk was. De rechtbank had de tijd die de veroordeelde in Polen in detentie had doorgebracht in mindering gebracht, maar niet de tijd die hij in Nederland in voorlopige hechtenis had doorgebracht.
De Hoge Raad verwijst naar het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen en de wetsgeschiedenis van de WOTS, waaruit blijkt dat ook de in Nederland doorgebrachte detentietijd in mindering moet worden gebracht. De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest voor zover het deze aftrek betreft en doet de zaak zelf af door de juiste aftrek toe te passen.
Uitkomst: De Hoge Raad bepaalt dat de tijd die de veroordeelde in Nederland in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in mindering moet worden gebracht op de opgelegde straf.