ECLI:NL:PHR:2010:BK8507
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt opzet ondanks ernstige geestelijke stoornis bij poging tot moord
In deze zaak stond de vraag centraal of de verdachte, met een ernstige geestelijke stoornis, het ten laste gelegde opzettelijk had gepleegd. De verdachte werd verdacht van poging tot moord op zijn moeder met een zwaar voorwerp, een deel van een bankschroef. Het hof had vastgesteld dat verdachte na kalm beraad handelde en opzet had, ondanks de psychische stoornis.
De verdediging voerde aan dat verdachte door zijn stoornis ieder inzicht in de gevolgen van zijn handelen ontbrak, waardoor het opzet niet bewezen kon worden. De Hoge Raad stelt echter dat een ernstige geestelijke stoornis slechts dan het opzet uitsluit indien daadwerkelijk ieder inzicht ontbrak, wat uitzonderlijk is. In deze zaak was dat niet het geval; verdachte had volgens het hof wel degelijk besef van zijn gedragingen en de gevolgen daarvan.
De verklaringen van gedragsdeskundigen die stelden dat verdachte geen inzicht had, betreffen de toerekenbaarheid en niet het bewijs van opzet. De Hoge Raad bevestigt dat het motief en de psychische gesteldheid relevant zijn voor de toerekening, maar niet voor het bewijs van opzet. De spontane verklaring van verdachte dat hij zijn moeder wilde vermoorden en zijn gedragingen ondersteunen het oordeel van het hof.
De Hoge Raad verwierp de middelen van cassatie en bevestigde het arrest van het hof dat verdachte schuldig is aan poging tot moord met opzet, ondanks zijn ernstige geestelijke stoornis.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt het bewezenverklaarde opzet ondanks de ernstige geestelijke stoornis van verdachte en verwerpt het cassatieberoep.