ECLI:NL:PHR:2010:BK8592
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strikte criteria voor baatbelasting bij herinrichting historisch stadshart Breda
Deze zaak betreft de vraag of bij de herinrichting van het historische stadshart van Breda voorzieningen in de zin van artikel 222, lid 1, van de Gemeentewet tot stand zijn gebracht en of het geheel van voorzieningen wezenlijk is veranderd. De gemeente Breda legde baatbelasting op voor de kosten van de herinrichting, maar belanghebbende betwistte dit.
Na eerdere procedures bij gerechtshoven en eerdere arresten van de Hoge Raad werd de zaak opnieuw aan het Hof Arnhem voorgelegd. Dit Hof oordeelde dat slechts een beperkt deel van de werkzaamheden als verbetering kan worden aangemerkt en dat het geheel van voorzieningen niet wezenlijk is veranderd. De gemeente stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad bevestigt in dit arrest dat onder voorzieningen ook wijziging of vervanging van bestaande voorzieningen valt, mits dit resulteert in een verbetering. Onder verbetering wordt verstaan een objectieve verhoging van kwaliteit of bruikbaarheid die verder gaat dan louter onderhoud. Daarnaast is vereist dat het geheel van voorzieningen in het heringerichte gebied wezenlijk is veranderd naar inrichting, aard of omvang. Het Hof heeft deze maatstaf juist toegepast en voldoende gemotiveerd geoordeeld dat het geheel van voorzieningen niet wezenlijk is veranderd. Het cassatieberoep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de gemeente Breda wordt ongegrond verklaard; de baatbelasting kan niet worden geheven omdat het geheel van voorzieningen niet wezenlijk is veranderd.