ECLI:NL:PHR:2010:BK8600
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van baatbelasting bij herinrichting historisch stadshart Breda
Deze zaak betreft de vraag of in het kader van de herinrichting van het historische stadshart van Breda voorzieningen in de zin van artikel 222, lid 1, van de Gemeentewet tot stand zijn gebracht en of het geheel van voorzieningen wezenlijk is veranderd. De gemeente Breda legde een baatbelasting op aan Stichting X6, welke werd aangevochten.
Na eerdere procedures vernietigde de Hoge Raad eerdere uitspraken en verwees de zaak meerdere malen terug naar lagere hoven. Het Hof Arnhem oordeelde dat slechts enkele voorzieningen als verbetering konden worden aangemerkt en dat het geheel van voorzieningen niet wezenlijk was veranderd. De gemeente stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad bevestigt dat vervanging of wijziging van bestaande voorzieningen slechts als voorziening kan gelden indien dit leidt tot een verbetering die verder gaat dan onderhoud. Het begrip verbetering is juridisch te duiden als een objectieve baat die de kwaliteit, bruikbaarheid of structuur verhoogt. Het hof heeft de juiste maatstaf gehanteerd door te toetsen of het geheel van voorzieningen in het heringerichte gebied wezenlijk is veranderd naar inrichting, aard of omvang.
Het hof heeft terecht geoordeeld dat de wijzigingen onvoldoende zijn om van een wezenlijke verandering te spreken. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de kosten van onderhoud niet via baatbelasting kunnen worden verhaald en dat bij herinrichting de beoordeling op het niveau van het geheel van voorzieningen moet plaatsvinden.
Deze uitspraak verduidelijkt het toepassingsbereik van de baatbelasting bij herinrichtingen en benadrukt de noodzaak van een objectieve verbetering van voorzieningen voor kostenverhaal via baatbelasting.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de gemeente Breda wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het hof bevestigd dat de baatbelastingaanslag niet kan worden gehandhaafd.