ECLI:NL:PHR:2010:BK8606
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling baatbelasting bij herinrichting historisch stadshart Breda
Deze zaak betreft de vraag of in het kader van de herinrichting van het historische stadshart van Breda voorzieningen in de zin van artikel 222, lid 1, van de Gemeentewet tot stand zijn gebracht en of het geheel van voorzieningen wezenlijk is veranderd. Na eerdere procedures bij gerechtshoven en eerdere arresten van de Hoge Raad, is het hof Arnhem tot het oordeel gekomen dat slechts een beperkt deel van de werkzaamheden als verbetering kan worden aangemerkt en dat het geheel van voorzieningen niet wezenlijk is veranderd.
De Hoge Raad bevestigt dat het begrip 'voorziening' ook wijziging of vervanging van bestaande voorzieningen omvat, mits dit leidt tot verbetering. Onder verbetering wordt verstaan een objectief toetsbare verhoging van kwaliteit, bruikbaarheid, stijl of structuur, en niet louter onderhoud. De gemeente kan kosten van een reeks samenhangende voorzieningen slechts verhalen via één baatbelasting als het geheel van voorzieningen naar inrichting, aard of omvang wezenlijk is veranderd ten opzichte van de staat van nieuw.
Het hof heeft deze maatstaf juist toegepast en geoordeeld dat de wijzigingen onvoldoende zijn om te spreken van een wezenlijke verandering van het geheel van voorzieningen. De Hoge Raad vindt dit oordeel niet onbegrijpelijk of onjuist gemotiveerd en verklaart het cassatieberoep ongegrond. Hiermee wordt bevestigd dat baatbelasting alleen kan worden geheven indien sprake is van een wezenlijke verbetering van het geheel van voorzieningen in het heringerichte gebied.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het hof bevestigd dat de baatbelasting niet kan worden geheven wegens gebrek aan wezenlijke verandering van het geheel van voorzieningen.