ECLI:NL:PHR:2010:BL1454
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling betalingsverplichting ter ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel in euro's
In deze zaak staat de vaststelling van het bedrag van de betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal. Het hof had de betalingsverplichting opgelegd in de tegenwaarde van bedragen uitgedrukt in Nederlandse guldens, Franse francs en Amerikaanse dollars, maar de Hoge Raad stelt dat deze verplichting in euro's moet worden uitgedrukt, het huidige wettige betaalmiddel.
De Hoge Raad overweegt dat de methode van vermogensvergelijking die het hof gebruikte toelaatbaar is, mits de betrokkene gelegenheid krijgt zich te verweren tegen de gekozen begindatum. Het hof koos als begindatum 1 maart 1993 in plaats van 1 september 1998 zoals in het SFO-rapport, maar gaf voldoende gelegenheid tot verweer. De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet onjuist heeft gehandeld.
Verder bespreekt de Hoge Raad uitvoerig de juridische en praktische aspecten van de valuta waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld. Hoewel de wet geen expliciete regel bevat, volgt uit de wetshistorie, jurisprudentie en Europese regelgeving dat het bedrag in euro's moet worden vastgesteld. Het hof heeft ten onrechte volstaan met een abstracte verwijzing naar de tegenwaarde in euro's van bedragen in vreemde valuta, zonder een concreet bedrag vast te stellen.
Ten slotte bevestigt de Hoge Raad dat rente opgebouwd na conservatoir beslag als wederrechtelijk verkregen voordeel kan gelden en dat het hof dit terecht heeft meegenomen. De zaak wordt vernietigd voor zover het hof de betalingsverplichting niet in euro's concreet heeft vastgesteld en wordt verwezen naar een ander hof voor hernieuwde berechting op dat punt, terwijl het overige beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het hof de betalingsverplichting niet concreet in euro's heeft vastgesteld en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.