ECLI:NL:PHR:2010:BL5414
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt voorwaardelijk opzet bij verhuur aan illegaal verblijvende personen
In deze zaak stond de vraag centraal of het begrip 'weten' in artikel 197a van het oude Wetboek van Strafrecht ook voorwaardelijk opzet omvat. Verdachte werd door het Hof veroordeeld wegens het uit winstbejag behulpzaam zijn bij het verblijf in Nederland van personen zonder geldige verblijfsstatus. De verdediging voerde aan dat verdachte geen weet of ernstige redenen had te vermoeden dat zijn huurders illegaal verbleven en dat hem daarom vrijspraak toekwam.
Het Hof oordeelde dat verdachte een onderzoeksplicht had ten aanzien van de verblijfsstatus van zijn huurders, die hij niet had nageleefd. Verdachte verhuurde woningen zonder te controleren wie er daadwerkelijk verbleef en toonde geen interesse in de legale status van zijn huurders. Het Hof stelde dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardde dat hij woningen verhuurde aan illegaal verblijvende personen.
De Hoge Raad bevestigde dat het begrip 'weten' in artikel 197a Sr mede voorwaardelijk opzet omvat. De verdediging beriep zich op een onjuiste interpretatie van 'weten' als noodzakelijkheidsbewustzijn, hetgeen door de Hoge Raad werd verworpen. Daarnaast werd erkend dat een onderzoeksplicht niet uit de strafbepaling volgt en dat het complexe karakter van de vreemdelingenwetgeving en privacyregelgeving het lastig maakt om de verblijfsstatus te verifiëren.
De Hoge Raad vernietigde het arrest slechts voor wat betreft de strafmaat vanwege overschrijding van de redelijke termijn en stelde dat de straf verminderd moest worden. Voor het overige werd het beroep verworpen en bleef de veroordeling in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling en vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn.