ECLI:NL:PHR:2010:BL5593
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Fiscaal oordeel over renteovereenkomst bij ouderlijke boedelverdeling en successierecht
In deze zaak staat centraal of een renteovereenkomst die na het overlijden tussen de langstlevende echtgenoot en de kinderen wordt gesloten, moet worden aangemerkt als een verkrijging krachtens erfrecht of als een schenking. De erflater had in zijn testament een ouderlijke boedelverdeling opgenomen waarbij de geldvorderingen van de kinderen op de langstlevende renteloos waren. Binnen acht maanden na overlijden sloten de erfgenamen alsnog een renteovereenkomst van 6%.
De Inspecteur stelde dat deze overeenkomst een schenking inhield en legde aanslagen schenkingsrecht op. De Rechtbank oordeelde dat de renteovereenkomst als een verkrijging krachtens erfrecht moest worden gezien, omdat de overeenkomst binnen de aangiftetermijn was gesloten en de ouderlijke boedelverdeling inhoudelijk overeenkomt met de wettelijke verdeling. Het Hof stelde dit oordeel bij en verklaarde de aanslagen terecht opgelegd.
In cassatie werd betoogd dat het Hof een te beperkte uitleg gaf aan de wettelijke bepalingen, met name artikel 4:13 lid 4 BW Pro en artikel 1 lid 2 en Pro 5 SW 1956, en onvoldoende rekening hield met de strekking van de wetgever en de ouderlijke boedelverdeling. De conclusie van de Advocaat-Generaal bevestigt dat de renteovereenkomst binnen de termijn als een verkrijging krachtens erfrecht moet worden behandeld, waardoor geen sprake is van een schenking. De zaak benadrukt de samenhang tussen erfrecht en fiscale regelgeving en de contractsvrijheid van erfgenamen binnen de wettelijke kaders.
Uitkomst: De renteovereenkomst binnen de aangiftetermijn wordt fiscaal als een verkrijging krachtens erfrecht behandeld en geen schenking.