ECLI:NL:PHR:2010:BL5638
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toerekening grond aan woondelen bij verzorgingstehuis voor OZB-gebruikersheffing
De zaak betreft de toerekening van de waarde van de grond van een verzorgingstehuis aan woondelen voor de toepassing van artikel 220f, lid 8, van de Gemeentewet, dat een vermindering van de onroerendezaakbelasting (OZB) mogelijk maakt voor woondelen in niet-woningen.
Belanghebbende, eigenaar en gebruikster van het verzorgingstehuis, maakte bezwaar tegen de aanslag OZB over 2006. De Rechtbank stelde de heffingsgrondslag lager vast door 49% van de grondwaarde toe te rekenen aan het woondeel, conform de verhouding van de opstal. Het Hof vernietigde dit oordeel en stelde een hogere heffingsgrondslag vast, waarbij het onderscheid maakte tussen projectiegrond en overige grond, en de overige grond als zelfstandig deel aan niet-woondoeleinden toerekende.
De Hoge Raad concludeert dat het Hof ten onrechte de grond heeft verdeeld in projectiegrond en overige grond zonder te onderzoeken welk deel van de grond in hoofdzaak dienstbaar is aan woondoeleinden. De Hoge Raad benadrukt dat de toerekening van grond aan woondoeleinden moet worden gebaseerd op het feitelijke gebruik van de verschillende delen van de grond, waarbij fysieke afscheidingen en gebruiksfuncties bepalend zijn. De zaak wordt verwezen naar een ander gerechtshof voor nadere vaststelling van het feitelijke gebruik van de gronddelen en de juiste waardetoerekening.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, de eerdere uitspraken vernietigd en de zaak verwezen voor nadere vaststelling van het feitelijke gebruik van gronddelen.