ECLI:NL:PHR:2010:BL6551
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing algemene naheffingstermijn bij ten onrechte verleende taxivrijstelling motorrijtuigenbelasting
In deze zaak staat centraal de vraag over de toepasselijkheid van artikel 76 van Pro de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet mrb '94) en artikel 20 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) bij naheffing van motorrijtuigenbelasting (mrb) in gevallen van onterecht verleende taxivrijstelling.
Belanghebbende, werkzaam als taxichauffeur en houder van een personenauto met taxivrijstelling, kreeg naheffingsaanslagen opgelegd omdat de inspecteur op grond van een boekenonderzoek oordeelde dat de auto niet geheel of nagenoeg geheel voor taxivervoer was gebruikt. De naheffing en boetes werden aangevochten, waarbij het hof oordeelde dat artikel 76 Wet Pro mrb '94 een lex specialis is die artikel 20 Awr Pro uitsluit en beperkte de naheffing tot vier tijdvakken van drie maanden voorafgaand aan de constatering.
De staatssecretaris stelde cassatie in tegen dit oordeel. De Hoge Raad concludeert dat artikel 76 Wet Pro mrb '94 niet als lex specialis geldt die artikel 20 Awr Pro uitsluit, omdat artikel 76 slechts Pro een regeling bevat voor situaties waarin de inspecteur bewijsproblemen heeft. Hierdoor kan de inspecteur in gevallen waarin voldoende bewijs bestaat, de algemene naheffingstermijn van vijf jaar hanteren. Het hof heeft dit ten onrechte niet erkend, waardoor het beroep van de staatssecretaris wordt toegewezen en de zaak wordt verwezen voor inhoudelijke beoordeling van het gebruik van de auto voor taxivervoer.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond en verwijst de zaak naar een ander gerechtshof voor verdere beoordeling.