ECLI:NL:PHR:2010:BL7042
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek toelating schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw belastingaangiften
In deze zaak verzocht een voormalig ondernemer, na beëindiging van zijn faillissement, om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De schuldenaar had een aanzienlijke belastingschuld vanwege het niet doen van aangiften inkomstenbelasting over 2005 en 2006. De rechtbank wees het verzoek af omdat niet aannemelijk was dat de schuldenaar zijn verplichtingen uit de regeling zou nakomen. Het hof bekrachtigde dit oordeel, maar op een andere grond: de schuldenaar was niet te goeder trouw bij het ontstaan van de belastingschuld, aangezien hij als ondernemer zelf verantwoordelijk was voor het doen van aangiften, en het niet doen hiervan niet kon worden gerechtvaardigd door het niet betalen van de boekhouder.
De schuldenaar stelde in cassatie dat het hof onterecht had getoetst aan de nieuwe versie van artikel 288 Fw Pro en de Recofa-richtlijnen 2008, terwijl de oude regels van toepassing zouden zijn. Ook stelde hij dat de curator laakbaar had gehandeld en dat het hof onvoldoende op zijn beroepschrift was ingegaan. De Hoge Raad verwierp deze klachten. Het hof had terecht de nieuwe, per 1 januari 2008 geldende, imperatieve toelatingscriteria toegepast. De goede trouw wordt beoordeeld aan de hand van een gedragskundige maatstaf, waarbij het niet nakomen van aangifteverplichtingen een reden is voor afwijzing.
De Hoge Raad benadrukte dat het oordeel over goede trouw feitelijk van aard is en dat de schuldenaar als ondernemer zelf verantwoordelijk is voor het doen van belastingaangiften. Ook al kan het niet betalen van een boekhouder een oorzaak zijn, dit ontslaat de schuldenaar niet van zijn verantwoordelijkheid. De klacht dat het hof niet had gereageerd op de stelling over de curator faalt omdat de rechtbank al had vastgesteld dat de schuldenaar was gewezen op zijn verplichtingen. Tenslotte werd opgemerkt dat de afwijzing op grond van artikel 288 lid 1 sub b Fw Pro slechts ziet op een periode van vijf jaar voorafgaand aan het verzoek, zodat een latere toelating mogelijk blijft.
De conclusie van de Advocaat-Generaal was dat het cassatieberoep moet worden verworpen, waarmee de afwijzing van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling stand houdt.
Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens het ontbreken van goede trouw bij het ontstaan van belastingschulden.