ECLI:NL:RBDHA:2023:2763
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering kwijtscheldingswinstvrijstelling en belastingrente
Eiseres had een lening van €400.000 ontvangen die in 2017 werd kwijtgescholden. Zij claimde in haar vennootschapsbelastingaangifte over 2017 de kwijtscheldingswinstvrijstelling voor een bedrag van €360.762. Verweerder accepteerde deze vrijstelling niet en legde aanslag inclusief belastingrente op. Eiseres maakte bezwaar en stelde beroep in tegen de aanslag en de weigering van de vrijstelling.
De kern van het geschil betrof de vraag of de lening een niet voor verwezenlijking vatbare vordering was op het moment van het aangaan van de lening in december 2013. De rechtbank overwoog dat eiseres de bewijslast draagt voor het aannemelijk maken van deze niet voor verwezenlijking vatbaarheid. Uit de feiten en omstandigheden, waaronder het feit dat eiseres redelijke omzetten behaalde en er perspectief op winstgroei was, volgde dat niet kon worden aangenomen dat de lening niet voor verwezenlijking vatbaar was.
Ook de stelling dat de kwijtscheldingswinstvrijstelling van toepassing zou zijn geweest als eiseres geen deel had uitgemaakt van een fiscale eenheid, werd verworpen. De rechtbank oordeelde voorts dat de belastingrente correct was berekend en dat er geen grond was voor matiging op basis van coulance. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de weigering van de kwijtscheldingswinstvrijstelling en de aanslag belastingrente is ongegrond verklaard.