ECLI:NL:PHR:2010:BL7642
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt peildatum alimentatie op laatste jaren feitelijke samenwoning en sluit fictieve winstuitkering uit
In deze zaak stond de alimentatie tussen gewezen echtgenoten centraal, waarbij de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud vorderde van de man. Partijen waren sinds 1978 gehuwd en leefden sinds oktober 2001 feitelijk gescheiden. De rechtbank had bij de alimentatiebepaling het actuele gezinsinkomen als uitgangspunt genomen, maar het hof stelde dat de laatste jaren van feitelijke samenwoning (2000 en 2001) als peildatum moesten gelden.
De man voerde onder meer aan dat het hof ten onrechte niet de laatste jaren van het huwelijk als peildatum had genomen en dat niet-uitgekeerde winsten van zijn onderneming bij de behoeftebepaling moesten worden betrokken. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat de peildatum de laatste jaren van feitelijke samenwoning zijn, gelet op de feitelijke situatie en het ontbreken van intentie tot herstel van het huwelijk.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat het hof terecht geen fictieve verhoging van het inkomen met niet-uitgekeerde winsten had toegepast, omdat deze winsten waren toegevoegd aan het vermogen van de vennootschap en niet automatisch tot vermogensvorming leiden. Ook werd geoordeeld dat het hof voldoende had gemotiveerd waarom het niet overging tot middeling van inkomens over een langere periode dan 2000-2001.
Ten aanzien van de terugwerkende kracht van de alimentatiewijziging oordeelde de Hoge Raad dat het hof niet verplicht was om uitgebreid te motiveren waarom het wijziging met ingang van een eerdere datum toekende, mede gezien het ontbreken van bezwaren van partijen. Het incidenteel cassatieberoep van de man werd eveneens verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de peildatum voor alimentatie de laatste jaren van feitelijke samenwoning is en dat niet-uitgekeerde winsten buiten beschouwing blijven; het cassatieberoep wordt verworpen.