ECLI:NL:PHR:2010:BL7968
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over vermogensetikettering woon-/winkelpand in inkomstenbelasting
Belanghebbende kocht in 1987 een woon-/winkelpand dat juridisch ongesplitst was, waarbij de bovenwoning feitelijk voor privégebruik bestemd was en het winkelgedeelte voor de onderneming. De bovenwoning werd aanvankelijk als ondernemingsvermogen aangemerkt. Na staking van de onderneming in 2000 stelde de Inspecteur dat de boekwinst over de bovenwoning belast moest worden, omdat deze tot privévermogen zou behoren.
De Rechtbank en het Hof verklaarden het beroep van belanghebbende gegrond en oordeelden dat de bovenwoning verplicht privévermogen was, omdat deze vanaf aankoop uitsluitend voor privédoeleinden werd gebruikt. De Hoge Raad herhaalde echter dat bij een juridisch ongesplitst pand dat geheel tot ondernemingsvermogen is gerekend, de keuze van de ondernemer leidend is, tenzij de grenzen der redelijkheid worden overschreden.
De Hoge Raad stelde dat het feit dat de bovenwoning feitelijk voor privégebruik was bestemd, niet beslissend is als het pand niet juridisch gesplitst was en de ondernemer het gehele pand tot ondernemingsvermogen rekende. De Hoge Raad vernietigde het oordeel van het Hof en oordeelde dat de boekwinst over de bovenwoning belast moet worden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat geen expliciet standpunt van de Inspecteur was vastgesteld.
Deze uitspraak bevestigt dat bij juridisch ongesplitste panden de etikettering van het gehele pand bepalend is en dat de keuze van de ondernemer voor ondernemingsvermogen of privévermogen niet zonder meer kan worden teruggedraaid zonder bijzondere omstandigheden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het oordeel dat de bovenwoning verplicht privévermogen is en bepaalt dat de boekwinst belast moet worden als ondernemingsvermogen.