ECLI:NL:PHR:2010:BL9548
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg huwelijkse voorwaarden over verrekening waardestijging woongedeelte woning
Partijen zijn gehuwd in juni 2002 en zijn in december 2004 gescheiden. In de huwelijkse voorwaarden is een verrekenbeding opgenomen voor de waardestijging van de echtelijke woning, waarbij de WOZ-waarde als uitgangspunt geldt. De vrouw stelde dat de verrekening moest plaatsvinden over de waardestijging tussen 1 januari 1999 en 1 januari 2005 en dat ook het bedrijfsgedeelte van de woning moest worden betrokken.
De man stelde dat de beginwaarde moest worden bepaald op een waarde tussen de WOZ-waarde per 1 januari 1999 en de eerste peildatum na het huwelijk (1 januari 2002) en dat alleen het woongedeelte betrokken moest worden. Het hof Leeuwarden stelde de man in het gelijk en oordeelde dat het verrekenbeding alleen ziet op het woongedeelte van de woning en dat de beginwaarde moet worden afgeleid uit de WOZ-waarde rond de huwelijksdatum.
De vrouw stelde cassatie in tegen het oordeel van het hof, onder meer met het argument dat het hof de Haviltex-norm niet juist had toegepast en dat onduidelijkheden ten nadele van de man moesten worden uitgelegd. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde de uitleg van het hof. De Hoge Raad benadrukte dat het hof de huwelijkse voorwaarden juist heeft uitgelegd en dat onvoldoende is gesteld omtrent de wijze van totstandkoming van de akte om nadelige gevolgen aan de man toe te rekenen.
De Hoge Raad concludeert dat de WOZ-waarde als beginwaarde moet worden vastgesteld op de datum van het huwelijk en dat alleen de waardestijging van het woongedeelte van de woning wordt verdeeld, conform de gezamenlijke partijbedoeling en de tekst van de huwelijkse voorwaarden.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt dat alleen de waardestijging van het woongedeelte van de woning wordt verdeeld en de beginwaarde wordt afgeleid uit de WOZ-waarde rond de huwelijksdatum.