ECLI:NL:PHR:2010:BM0371
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing over waardestijging bloot eigendom van Nederlands onroerend goed volgens belastingverdrag Nederland-België en EVRM
Belanghebbende, een in België wonende eigenaar van bloot eigendom van in Nederland gelegen onroerende zaken, stelde zich op het standpunt dat Nederland geen inkomstenbelasting mocht heffen over de waardestijging van deze bloot eigendom op grond van het belastingverdrag Nederland-België 1970 en het Eerste Protocol bij het EVRM.
In 1974 vestigde belanghebbende een dertigjarig vruchtgebruik op deze onroerende zaken ten behoeve van een stichting, waarbij hij eigenaar bleef van de bloot eigendom. De waardestijging van de bloot eigendom als gevolg van het aflopen van het vruchtgebruik werd tot 1996 niet belast, waarna artikel 25b Wet IB 1964 werd ingevoerd om deze waardestijging als inkomen uit vermogen te belasten.
De Rechtbank en het Hof bevestigden dat deze waardestijging moet worden aangemerkt als een voordeel dat samenhangt met de onroerende zaak en dat Nederland op grond van het belastingverdrag heffingsbevoegdheid heeft. Belanghebbende voerde onder meer aan dat het hier fictieve inkomsten betreft die niet onder artikel 6 of Pro 13 van het verdrag vallen en dat de invoering van artikel 25b zonder eerbiedigende werking een onrechtmatige inbreuk op eigendomsrechten vormt.
De Hoge Raad concludeert dat de waardestijging van de bloot eigendom economisch gezien samenhangt met de onroerende zaak en dat het belastingverdrag Nederland-België Nederland het heffingsrecht toekent. Ook het ontbreken van eerbiedigende werking bij de invoering van artikel 25b Wet IB 1964 is niet in strijd met het Eerste Protocol EVRM, mede vanwege de ruime beoordelingsmarge van de wetgever bij belastingmaatregelen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en Nederland mag belasting heffen over de waardestijging van de bloot eigendom van Nederlands onroerend goed.