ECLI:NL:PHR:2010:BM2436
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Rechtsgeldigheid betekening dagvaarding in hoger beroep bij wisselend woonadres verdachte
In deze strafzaak stond de rechtsgeldigheid van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep centraal. De verdachte was in de periode tussen het onderzoek ter terechtzitting en de betekening van de dagvaarding niet ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) op het adres dat aanvankelijk als zijn woonadres gold. Het hof oordeelde dat het door de raadsman opgegeven adres bij het instellen van het hoger beroep het eerdere adres achterhaalde, waardoor volstaan kon worden met het zenden van een afschrift van de dagvaarding aan dat adres.
De advocaat-generaal betoogde dat dit oordeel onbegrijpelijk was, omdat de verdachte bij politie en rechtbank een ander feitelijk woonadres had opgegeven dan het adres in de GBA, en dat het hof ten onrechte aannam dat het oude GBA-adres was achterhaald. Ook stelde hij dat het vermelden van het oude adres op de appelakte niet betekent dat de raadsman dit adres expliciet had opgegeven.
Verder behandelde de conclusie andere middelen over de strafoplegging, waaronder de overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel slaagde en vernietigde het arrest van het hof, waarbij het hof werd terugverwezen om de zaak opnieuw te behandelen met inachtneming van het juiste woonadres van de verdachte.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting met inachtneming van het juiste woonadres.