Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte de “dagvaarding in hoger beroep” [1] niet nietig heeft verklaard, aangezien uit de stukken van het geding niet blijkt dat is getracht de oproeping in hoger beroep uit te reiken op het verblijfadres van de betrokkene ( [c-straat 1] in Utrecht ), terwijl de betrokkene op de terechtzitting in eerste aanleg te kennen had gegeven op dat adres woonachtig te zijn.
NJ2010/359 had de raadsman namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg. In de appelakte was een oud GBA-adres van de verdachte in De Meern opgenomen, terwijl de verdachte tijdens de terechtzitting in eerste aanleg een ander woonadres (in Putten) had opgegeven. Tussen de terechtzitting in eerste aanleg en de betekening van de dagvaarding in hoger beroep was de verdachte niet in de GBA ingeschreven. Mijn ambtgenoot Knigge was in zijn conclusie voorafgaand aan dit arrest (ECLI:NL:PHR:2010:BM2436, onder 9) van mening dat het hof de mogelijkheid dat het adres automatisch op de akte was geprint, omdat dit nog in de administratie van de griffie was opgenomen en de raadsman deze onjuistheid kennelijk niet was opgevallen, niet zonder meer had mogen uitsluiten. De Hoge Raad ging daarin niet mee. Het kennelijke oordeel van het hof dat het eerder opgegeven adres in Putten was achterhaald door de opgave van de raadsman van de verdachte bij het instellen van het hoger beroep getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en was niet onbegrijpelijk. Ik meen dat deze lijn in de onderhavige zaak kan worden doorgetrokken. De beide zaken hebben met elkaar gemeen dat uit de stukken niet blijkt hoe de vermelding van het adres in de appelakte tot stand is gekomen. In de onderhavige zaak geldt daarbij wel als bijzonderheid dat zich bij de stukken een schriftelijke bijzondere volmacht van de raadsvrouwe van de betrokkene bevindt om namens de betrokkene hoger beroep in te stellen. Daarin is geen adres vermeld. Het hoger beroep is bovendien ingesteld door een ambtenaar van de griffie van de rechtbank, die daartoe was gevolmachtigd door de raadsvrouwe van de betrokkene. Deze verschillen lijken mij niet doorslaggevend. In beide zaken biedt het dossier geen uitsluitsel over de vraag of (nader) contact heeft plaatsgevonden tussen de raadsman/raadsvrouwe en de griffie over het adres dat in de appelakte is vermeld. Voor beide gevallen geldt dat de wettelijke regeling tot uitgangspunt neemt dat contact plaatsvindt over het adres waaraan de appeldagvaarding/oproeping in hoger beroep (in Nederland) kan worden toegezonden (art. 451, eerste lid, en art. 450, derde lid, Sv). Aldus heeft het hof kunnen aannemen dat het eerder op de terechtzitting in eerste aanleg opgegeven adres door de latere opgave in de appelakte is achterhaald. Daarbij merk ik ten overvloede op dat het adres [a-straat 1] te Utrecht ook in de cassatieakte staat vermeld, terwijl deze akte namens de betrokkene door een advocaat is ondertekend.
tweede middelbevat de klacht dat het aanwezigheidsrecht van de betrokkene in hoger beroep is geschonden, aangezien in strijd met art. 588a Sv geen afschrift van de oproeping in hoger beroep is verzonden naar het door de betrokkene op de terechtzitting in eerste aanleg opgegeven adres.
derde middelbehelst de klacht dat het hof de behandeling van de zaak ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, niet heeft aangehouden, aangezien niet blijkt dat aan de betrokkene een vertaling in de Bulgaarse taal van de oproeping in hoger beroep is toegezonden.