ECLI:NL:PHR:2010:BM3409
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over optie tot Nederlanderschap krachtens Toescheidingsovereenkomst met Suriname
De zaak betreft een verzoek op grond van artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap tot vaststelling van het Nederlanderschap van verzoekster. Zij betoogde dat zij door herhaaldelijk aanvragen van visa en een machtiging tot voorlopig verblijf voor Nederland had gekozen voor het Nederlanderschap op grond van artikel 6 lid 4 van Pro de Toescheidingsovereenkomst (TOS) tussen Nederland en Suriname.
De rechtbank wees het verzoek af omdat verzoekster ten tijde van de inwerkingtreding van de TOS minderjarig was en woonachtig in Suriname, waardoor zij ingevolge de TOS de Surinaamse nationaliteit verkreeg en de Nederlandse verloor. De rechtbank oordeelde dat de optiemogelijkheid van artikel 6 lid 4 TOS Pro niet openstond voor verzoekster omdat zij als minderjarige geen andere nationaliteit had verkregen dan zij zou hebben verkregen als zij meerderjarig was geweest.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. De Hoge Raad verduidelijkte dat artikel 6 lid 4 TOS Pro geen algemene optiemogelijkheid biedt aan meerderjarigen die destijds in het buitenland woonden, maar slechts een correctie biedt voor gevallen waarin minderjarigen een andere nationaliteit kregen dan zij als meerderjarige zouden hebben gekregen. De stelling dat visumaanvragen een wilsverklaring zouden vormen, werd niet inhoudelijk beoordeeld omdat de optiemogelijkheid niet openstond.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op grond van artikel 6 lid 4 TOS werd afgewezen.