ECLI:NL:HR:1999:AA3798
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Mijnssen
- raadsheer Neleman
- raadsheer De Savornin Lohman
- raadsheer Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt verlies Nederlandse nationaliteit op grond van Toescheidingsovereenkomst met Suriname
Verzoekster, geboren in Suriname in 1975, vroeg de rechtbank vast te stellen dat zij de Nederlandse nationaliteit bezit. Zij baseerde zich op de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname en het Verdrag inzake de rechten van het kind, stellende dat zij tussen haar 18e en 23e jaar een vrije keuze had voor de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank wees dit verzoek af en de Hoge Raad bevestigde deze beslissing.
De Hoge Raad oordeelde dat de bepaling in art. 6 lid 4 van Pro de Toescheidingsovereenkomst niet voorziet in een zelfstandige keuze voor meerderjarigen om alsnog de Nederlandse nationaliteit te verkrijgen indien zij deze niet reeds hadden. Verzoekster had op grond van art. 6 lid 1 de Pro Surinaamse nationaliteit verkregen door de optie van haar vader en zou dezelfde nationaliteit hebben gekregen als zij meerderjarig was geweest bij inwerkingtreding van de overeenkomst.
Ook het beroep op het Verdrag inzake de rechten van het kind, met name art. 8 lid Pro 2, faalde omdat de Toescheidingsovereenkomst niet in strijd is met dit verdrag. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat verzoekster de Nederlandse nationaliteit had verloren door de optie van haar vader voor de Surinaamse nationaliteit.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt dat verzoekster de Nederlandse nationaliteit niet bezit.