ECLI:NL:PHR:2010:BM4091
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gegronde bewijsklacht en bewezenverklaring bij opzetheling
In deze zaak is verdachte door het Gerechtshof te Leeuwarden veroordeeld wegens opzetheling, gepleegd in de periode van 1 tot en met 9 augustus 2006 in Assen. Het hof legde een taakstraf op en verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering. Namens verdachte werden twee middelen van cassatie voorgesteld, gericht op vermeende schending van art. 6 EVRM Pro en art. 289 Sv Pro met betrekking tot de aanwezigheid van getuigen tijdens het gehele onderzoek ter terechtzitting, en op de onduidelijkheid van de bewezenverklaring.
De Hoge Raad oordeelt dat de aanwezigheid van getuigen gedurende het gehele onderzoek niet leidt tot nietigheid of uitsluiting van hun verklaringen als bewijs, aangezien geen concrete aanwijzingen zijn dat de getuigen elkaar hebben beïnvloed en de verdediging hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt. Ten aanzien van de bewezenverklaring stelt de Hoge Raad vast dat ondanks het ontbreken van expliciete datumvermelding voor de tweede verkoop van gestolen goederen, uit het dossier en de aanhouding van een mededader volgt dat deze binnen de bewezenverklaarde periode heeft plaatsgevonden.
De Hoge Raad benadrukt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien klachten evident niet tot cassatie leiden, maar in dit geval is dat nog niet mogelijk. Wel wordt opgemerkt dat motiveringsgebreken van ondergeschikte aard geen cassatie behoeven. De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het cassatieberoep faalt en dient te worden verworpen, waarmee de veroordeling van verdachte in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling van verdachte wegens opzetheling blijft in stand.