ECLI:NL:PHR:2010:BM4440
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Reikwijdte van witwassen en schuldwitwassen bij eigen misdrijf en voorhanden hebben van crimineel goed
In deze zaak stond de vraag centraal of het enkel voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf gepleegd misdrijf, kwalificeert als witwassen volgens artikel 420bis Sr. De verdachte had met valsheid in geschrifte en oplichting een hypothecair krediet verkregen en daarmee een woning gekocht. De rechtbank sprak verdachte vrij van witwassen omdat geen handelingen gericht op het verbergen van de illegale herkomst waren verricht. Het hof oordeelde echter dat het enkel voorhanden hebben en gebruiken van het goed al als witwassen kon worden aangemerkt.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verduidelijkte dat de wetsgeschiedenis en tekst van artikel 420bis Sr geen vereiste stellen dat de handelingen gericht moeten zijn op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst. Het enkel voorhanden hebben van een uit eigen misdrijf verkregen voorwerp kan voldoende zijn voor een veroordeling wegens witwassen. Hiermee wordt de reikwijdte van witwassen verruimd ten opzichte van de klassieke opvatting dat versluiering noodzakelijk is.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat betoogde dat voor strafbaarheid altijd een handeling gericht op verbergen of verhullen vereist is. Ook de stelling dat witwassen pas begint bij het verkrijgen van het geld werd verworpen, omdat het enkel voorhanden hebben al strafbaar is. De conclusie is dat verdachte terecht is veroordeeld voor witwassen, ondanks het ontbreken van een expliciete versluieringshandeling.
Uitkomst: Verdachte is terecht veroordeeld wegens witwassen door het enkel voorhanden hebben en gebruiken van een voorwerp afkomstig uit eigen misdrijf.