ECLI:NL:PHR:2010:BM7266
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over navordering bij film-CV’s en nieuw feit in belastingaanslag
Deze zaak betreft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 2000 opgelegd aan een participant in een film-commanditaire vennootschap (CV). De kern van het geschil is of de Inspecteur beschikte over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt, ondanks dat er sprake was van ambtelijk verzuim bij de oorspronkelijke aanslagregeling.
De film-CV’s waren opgezet met het oog op fiscale faciliteiten zoals willekeurige afschrijving en investeringsaftrek. Uit het geding bleek dat de CV’s niet zelf films produceerden maar kant-en-klare films bestelden bij Amerikaanse productiebedrijven. Tevens had de exploitatiemaatschappij E het exclusieve recht om de films te exploiteren en verkopen, wat leidde tot twijfel over het ondernemerschap van de CV’s en de fiscale kwalificatie van de participanten.
De Hoge Raad bevestigt dat de ontdekking van de license agreements, waaruit bleek dat de films niet voor rekening en risico van de CV’s werden geëxploiteerd, een nieuw feit vormt dat navordering rechtvaardigt. Dit ondanks dat er sprake was van ambtelijk verzuim bij het opleggen van de primitieve aanslag. De Raad benadrukt dat een nieuw feit ook kan bestaan uit feiten die losstaan van feiten die de inspecteur reeds kende of had kunnen kennen. De uitspraak bevestigt de toepassing van artikel 16 AWR Pro en de jurisprudentie omtrent navordering bij nieuw feit en ambtelijk verzuim.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de ontdekking van de license agreement een nieuw feit vormt dat navordering van de belastingaanslag rechtvaardigt.