ECLI:NL:PHR:2010:BM8053
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen bij lijfrentepremies na emigratie
Belanghebbende, samen met haar echtgenoot eigenaar van een agrarisch bedrijf, verhuisde in 2001 naar Denemarken. Voorheen hadden zij een BV opgericht waarin het bedrijf werd ingebracht, met een derde als bestuurder zonder beloning. De Inspecteur corrigeerde het belastbaar inkomen van belanghebbende door de in 1999 afgetrokken lijfrentepremies in 2001 als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen te rekenen, omdat de BV niet langer aan de voorwaarden voldeed.
Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond, maar oordeelde dat de werkelijke leiding van de BV bij belanghebbende en haar echtgenoot bleef berusten, en dat de omkering van de bewijslast terecht was toegepast vanwege het niet doen van de vereiste aangifte. Het Hof vond de correctie van het belastbaar inkomen niet willekeurig.
In cassatie stelde belanghebbende onder meer dat de bewijslast onterecht werd omgekeerd, dat de toepassing van de wet in strijd was met het overgangsrecht, en dat de Inspecteur onzorgvuldig had gehandeld door de correctie in 2001 toe te passen in plaats van een navorderingsaanslag in 1999. De Hoge Raad verwierp deze middelen en bevestigde het oordeel van het Hof dat de correctie terecht was toegepast, dat de bewijslastomkering passend was, en dat de berekening van het belastbaar inkomen niet onredelijk was.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de lijfrentepremies terecht als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen zijn belast.