ECLI:NL:PHR:2010:BM8089
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt directe winstneming bij overdracht bedrijfsmiddelen tegen winstrecht zonder voortzetting onderneming
Belanghebbende, een ondernemer die zijn agrarische onderneming in Nederland staakte en een nieuwe onderneming in Denemarken startte, bracht zijn bedrijfsmiddelen in een BV in en verkocht deze vervolgens deels aan derden. In 2000 werd de economische eigendom van onroerende zaken verkocht tegen een winstrecht, waarbij belanghebbende stelde dat uitstel van winstneming mogelijk was.
Het Hof oordeelde dat de onderneming in liquidatie was en dat de nieuwe onderneming in Denemarken geen voortzetting was van de oude. Het hof verwierp het standpunt van belanghebbende dat uitstel van winstneming mogelijk was bij een winstrecht als vergoeding voor bedrijfsmiddelen, en bepaalde dat de waarde van het winstrecht in 2000 moest worden belast.
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel, stellende dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom goed koopmansgebruik niet zou leiden tot uitstel van winstneming en dat onzekerheden omtrent het winstrecht niet waren onderzocht. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en overwoog dat uitstel van winstneming slechts mogelijk is indien de overdragende ondernemer op bijzondere wijze betrokken blijft bij de voortgezette onderneming, wat hier niet het geval was.
De Hoge Raad verwierp de klacht en verklaarde het cassatieberoep ongegrond, waarmee de directe winstneming over het winstrecht in 2000 werd bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de waarde van het winstrecht in 2000 direct belast moet worden, zonder uitstel van winstneming.