ECLI:NL:PHR:2010:BM9757
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid en derdenwerking van exoneratieclausule bij gebrekkige opslaghal
In deze zaak vordert Edco Eindhoven B.V. schadevergoeding van [eiseres], eigenaar van een opslaghal, wegens schade aan goederen door het instorten van het dak van de hal. De hal was verhuurd aan dochtermaatschappij [A] B.V., die voor Edco opslagdiensten verrichtte. Edco beroept zich op aansprakelijkheid van [eiseres] op grond van artikel 6:174 BW Pro, terwijl [eiseres] zich beroept op een exoneratieclausule uit de Fenex-voorwaarden die tussen Edco en [A] geldt.
De Hoge Raad onderzoekt of deze exoneratieclausule ook ten gunste van [eiseres] kan werken, ondanks dat zij geen partij is bij de overeenkomst tussen Edco en [A]. De Raad bevestigt het uitgangspunt dat contractuele bedingen slechts tussen partijen gelden en dat derdenwerking slechts onder strikte voorwaarden kan worden aangenomen, zoals het gewekte vertrouwen of bijzondere aard van de overeenkomst en relatie.
Daarnaast wordt de toepassing van artikel 6:181 BW Pro besproken, waarbij de aansprakelijkheid voor gebrekkige opstallen verschuift naar de bedrijfsmatige gebruiker indien er een verband bestaat tussen het gebrek en de bedrijfsuitoefening. De Hoge Raad oordeelt dat het instorten van het dak geen relevant verband hield met de bedrijfsuitoefening van [A], zodat de aansprakelijkheid bij de bezitter blijft.
De cassatie wordt verworpen, waarbij de Hoge Raad het oordeel van het hof bevestigt dat de exoneratieclausule niet ten gunste van [eiseres] werkt en dat de aansprakelijkheid op grond van artikel 6:181 BW Pro niet van toepassing is. De zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de exoneratieclausule geldt niet ten gunste van de moedermaatschappij en de aansprakelijkheid blijft bij de bezitter wegens ontbreken van verband met bedrijfsuitoefening.